Vijfenveertig kilo. Ik zit in de hoek van de sofa, met een deken die mijn lichaam bedekt terwijl ik het laatste partje tomaat opeet van mijn lunch. Mijn vader loopt voor mijn neus naar de keuken zonder acht op mij te slaan. Dat gebeurt wel meer; hij ziet mij gewoonweg niet. Een fris windje waait door het openstaande raam naar binnen. Mijn lichaam vindt geen rust op de sofa, met mijn verkilde botten die in mijn vlees poken. Ik ben verloren, verdwaald in mijn eigen private wereld. Alles is daar okee, het is er warm en veilig.
Tijd voor het avondmaal. Alweer? Ik heb geen honger.
Ik lig in bed en probeer te slapen. Draaiend en woelend, opgerold in foetushouding, slaag ik er niet in het warm te krijgen. Ik adem hortend, mijn hartslag is traag. Voor de derde keer sta ik op om naar het toilet te gaan.
Ontbijt. Ik kan nu niet eten, ben te nerveus.
Ik stap op de weegschaal, naakt en rillend. Vierenveertig kilo. Niet slecht, maar dat buikje wil maar niet verdwijnen.Als ik de lange weg naar het gebouw afleg voel ik mij uitgeput en moet ik naar adem snakken. Ik zou net zo lief een tukje doen op het voetpad. Als het weer maar wat warmer was.
Ik kijk in één van de drie spiegels in het portaal. Ik kan mijn rug zien, mijn ribben en ruggengraat grijnzen mij scherp en sardonisch toe. Mijn achterste is verzakt. Ik breng mijn gezicht tot vlak voor het spiegelglas: mijn huid is dof en ik heb paarse kringen onder mijn ogen. Ik ben minstens de helft van mijn haar kwijt. Wat is er toch met mij aan de hand?
Ik kan niet eten zonder naar het voedsel te staren. Ik prak het fijn en beschrijf er cirkels mee op mijn bord. Ik kan geen gelijke tred houden met de regels die ik mezelf opleg. Ik lig constant met hen in de clinch. Zelfs voor mezelf voel ik afschuw. Ik verdien deze straf. Het is mijn eigen schuld. Hoe vertel ik het in godsnaam aan mijn ouders.
Ik zit op het koude metalen ziekenhuisbed, terwijl ik in gedachten repeteer wat ik de dokter zal vertellen. Een vrouw komt binnen om me te wegen en mijn bloeddruk te meten. Vijftig kilo. ‘Wanneer was u voor het laatst ongesteld?’ vraagt ze. “Acht maanden geleden.” antwoord ik. Dan vraag ze of ik zwanger of ziek ben geweest. ‘Lieve God, je braakt toch niet, hoop ik.’ Natuurlijk niet, dat haalde niets uit.
Ik wacht terug op de dokter, opnieuw repeterend wat ik hem ga vertellen, teneergeslagen ook door de opmerkingen van de assistente..Eindelijk komt die er aan….om mij te vertellen dat ik anorexia nervosa heb.


