Het kan lang duren vooraleer een anorexiapatiënt wil inzien en toegeven dat er iets ernstig met hem aan de hand is. Dat is jammer, want hoe vlugger een behandeling wordt opgestart, hoe gunstiger de prognose. Familieleden of vrienden die op een rustige manier hun bezorgdheid blijven uiten kunnen de patiënt soms over de streep trekken om toch iets aan zijn conditie te doen. De zieke dwingen om een behandeling te volgen lost niets op. De motivatie om beter te worden moet in de eerste plaats van hem/haarzelf uitaan. Belangrijk om weten is wel dat het ziekte- en herstelproces in verschillende fasen verloopt.
Fases van herstel van een eetstoornis
Fase 1: symptoomontwikkeling
In de eerste fase van een eetstoornis experimenteert de persoon in kwestie (laten wij hem gemakshalve Jan noemen) volop met voedsel- en gewichtsmanagement. Hij vindt dat hij een beetje te dik is en wil een paar kilo’s afvallen. Deze fase duurt gewoonlijk zes maanden tot een jaar. Bij de aanvang van deze fase heeft Jan doorgaans nog geen eetstoornis. Maar als hij een obsessie voor gewicht en voedsel ontwikkelt kan op het einde van deze fase zijn eetgedrag problematisch geworden zijn. Dit gebeurt vooral als de voedsel- en gewichtscontrole secundaire voordelen oplevert (lof van de collega’s, bijvoorbeeld, of betere promotiekansen). Op die manier wordt calorieën tellen en excessief sporten een emotionele nood die moeilijk op te geven is. Het proces waarbij het verlangen om het gewicht te controleren een emotionele lading krijgt verloopt gradueel, en neemt vrijwel de hele fase van symptoomontwikkeling in beslag. Aan het einde van die eerste fase is voedsel- en gewichtsmanagement een prominente rol gaan spelen in het leven van Jan. Hij is niet langer meer in staat om uit te maken of hij lijnt om emotionele redenen, dan wel om zijn gewicht op peil te houden.
Fase 2: Ontkenning
Fase 2 begint als het obsessief bezig zijn met eten en gewicht niet langer een uiting is van prettig gestoord gedrag, Het vasten en trimmen heeft nu veeleer de taaie patronen en psychologische karakteristieken aangenomen die beantwoorden aan de criteria van een eetstoornis. Dit gebeurt meestal tussen de zes maanden en een jaar na het opduiken van de eerste symptomen. Jan ontkent in alle toonaarden dat hij een probleem heeft. Hij ziet niet in dat hij zijn eet- en gewichtsrituelen niet meer kan missen. Hij denkt nog steeds dat hij alleen maar ‘aan de lijn doet’. Kenmerkend voor de ontkenning van Jan, is dat hij zich niet bewust is van de onderliggende psychologische, relationele en emotionele problemen die zijn gedrag mede in stand houden.
Deze fase kan zes maanden tot dertig jaar of langer duren. Het gedrag blijft in die periode meestal vrij stabiel. Wat de persoon uiteindelijk wegrukt uit deze fase van ontkenning is onduidelijk. Soms zijn het de reacties van de omgeving. Wij moedigen familieleden en vrienden aan om ‘Jan’ op een vriendelijke manier te confronteren met hun vermoedens dat hij een eetstoornis heeft. Iedere confrontatie hakt een stukje weg uit de muur van ontkenning. Voor sommigen is de muur dikker dan voor anderen. Niemand weet dus echt of dit soort confrontaties een grote impact heeft. De toenemende aandacht van de media draagt wellicht ook een steentje bij. Het is vandaag moeilijker om op een eilandje te zitten eetstoornissen omdat de publieke bewustwording via pers en televisie toegenomen is.
Fase 3: Behoefte aan het gedrag
In de derde fase van het herstelproces van Jan is hij bereid om één en ander te leren over genezing en gedragsverandering. Hij is evenwel nog niet in staat om daadwerkelijk iets aan zijn voedsel- en gewichtsobsessie te doen. Het begint als Jan in behandeling gaat. Dit doet hij meestal vrijwillig, als de emotionele en fysieke gevolgen van zijn eetstoornis hem parten spelen. De nadelen hebben de voordelen van de voorgrond verdrongen. (althans kortstondig) Deze fase wordt gekenmerkt door dwangmatig denken aan voedsel, gewicht, honger en lichaamsbeeld. Deze obsessie om kennis te verwerven over deze thema’s werkt op dit punt erg therapeutisch. Het draagt bij tot Jans’ motivatie om de principes te leren die hij later zal moeten toepassen om volledig te herstellen.
De behoefte aan lijngedrag is in Jans’ context een psychologische aanpassing, of een aanpassingsmechanisme dat – hoewel indirect – hem een gevoel van veiligheid geeft. Tegelijk heeft die behoefte secundaire gevolgen, zoals gezondheidsproblemen, verslechterende relaties en affectieve instabiliteit. Een persoon die een eetstoornis ontwikkelt heeft in zekere zin een aantal aspecten van het groeiproces niet meegepikt. Het ontbreekt hem vaak aan gezonde, directe manieren om fundamentele levensfbehoeften moeiteloos in te vullen. Het aangaan van intieme relaties, bijvoorbeeld, of het bepalen van seksuele grenzen bij zichzelf/anderen, zich veilig voelen in relaties en op een assertieve manier intense gevoelens managen en uitdrukken. De eetstoornis is een indirecte manier om alsnog in die levensbehoeften te voorzien. Jan gaat in die zin een relatie aan met voedsel, in plaats van met mensen, hij gebruikt zijn lichaamsgewicht om grenzen te stellen in seksuele situaties of relaties, en zijn eetgedrag om indirect verlangens en noden duidelijk te maken in zijn relaties en om intense gevoelens af te vlakken.
Fase 4: Het verminderen van behoefte en gedrag, het ophouden van de obsessie voor voedsel en gewicht en herstel.
In fase vier zien we meestal een omslagpunt in het gestoord eetgedrag van Jan. Dat punt markeert de overgang naar de fase van verminderde behoefte aan het cijferen met calorieën en kilometers. Deze doorgaans spontane verandering vindt plaats als Jan voldoende onderliggende problemen van zijn eetstoornis heeft opgelost om de rigide controle van eetgedrag en gewicht te laten varen. Er zijn twee indicatoren die deze overgang aangeven: 1) Jan vertelt vrijwillig aan de therapeut dat zijn wil om zijn gedrag te veranderen toeneemt. (bvb“ Ik zou wat moeten aankomen in gewicht, want ik wil me op school beter kunnen concentreren), en 2) Er is een duidelijke stijging in de consumptie van proteïnen van hoge kwaliteit (het gaat hier om een geleidelijke stijging). Deze veranderingen zijn evenwel meestal van korte duur en leiden zelden tot een definitieve heraanpassing van het gedrag. Zij zijn veeleer een aanwijzing dat Jan klaar is om de nodige kennis op te doen over voedsel, voeding en gewicht, de essentie van de voedingstherapie die in deze fase een cruciale rol speelt. In deze fase van het herstelproces, kunnen aan de hand van het gedrag specifieke therapeutische kwesties geïsoleerd en besproken worden
Het is belangrijk om aan te stippen dat sommige Jannen het punt bereiken waarop de behoefte aan hun gedrag schijnbaar afneemt, terwijl ze toch niet in staat zijn om het daadwerkelijk te veranderen. In deze situatie is het de verantwoordelijkheid van de therapeut of voedseldeskundige om te evalueren of Jan voldoende ver staat in het psychotherapeutische proces om rond gedragsverandering te werken. Indien niet, moeten de onderliggende problemen verder aangepakt worden in therapie. Soms komt er dan een thema aan de oppervlakte dat voordien nooit werd besproken, zoals seksueel misbruik, bijvoorbeeld. Als het behandelend team en het individu menen dat de therapeutische kwesties voldoende aan bod gekomen zijn, kan de klemtoon verlegd worden naar het gedrag. Het gestoorde gedrag houdt mogelijk nog even aan, omwille van de behoefte er aan, of uit gewoonte. Hoe meer vooruitgang Jan boekt met de therapie, hoe kleiner het behoefte-aspect wordt, zodat uiteindelijk alleen het gewoonte-aspect van het gedrag overblijft. Op dit punt is het gemakkelijker om aan dit gedrag te werken dan toen het nog sterk ingekleurd werd door een emotionele nood. Er is evenwel kans dat de twijfel bij Jan weer toeslaat en dat hij de behandeling wil stopzetten.
Het corrigeren van voedsel- en gewichtsgerelateerd gedrag gebeurt voordat Jan volledig is hersteld. Op dat ogenblik misbruikt Jan niet langer zijn uit de hand gelopen voedsel- en gewichtsmanagement, hij is in staat om een gezond lichaamsgewicht te handhaven en eet op een flexibele en evenwichtige manier die niet in de kijker loopt. Ook de mate waarin hij aan lichaamsbeweging doet is genormaliseerd.
Dat is het moment dat resterende psychologische, relationele of emotionele kwesties kunnen aangepakt worden. Voor de meeste mensen zijn er een aantal problemen die pas aan de oppervlakte komen als het afwijkende gedrag is stopgezet. Als de behandeling op dit ogenblik stopt, is de kans op hervallen in de toekomst niet denkbeeldig. Het stopzetten van het gestoorde gedrag markeert derhalve niet noodzakelijk het einde van de behandeling. Het betekent alleen maar dat Jan zijn voedsel- en gewichtsobsessie niet langer gebruikt op een ongezonde manier. Het is aan de therapeut om met Jan te bespreken welke onderwerpen nog aan bod moeten komen en om uit te leggen waarom dit deel van de behandeling belangrijk is. Het is immers niet ongewoon dat patiënten afhaken als hun gedrag terug is genormaliseerd.
Als herstel bereikt is, is het aangewezen om de behandeling verder te zetten om kwesties zoals preventie van herval aan te snijden. De therapeutische sessies dalen wel in frekwentie gedurende deze periode.