Cool. Be cool, stay cool, dat is cool… het woord cool staat hoog genoteerd op de aandelenbeurs van het hippe volkje. de koersen stijgen naarmate je meer in je persoonlijke vriespunt investeert. Maar wat is cool? Cool is een begrip dat zo rekbaar is als het uitdijende universum. Wat voor de ene cool is, is voor de ander kut met peren. In weerwil van deze semantische tweespalt willen wij allemaal cool zijn. Wij gooien er desnoods fortuinen tegen aan om onze arctische kwaliteiten op een hoger plan te brengen. Met dure cosmetica, met vestimentaire kunstgrepen, met nieuwerwetse kromtaal als het moet…
In mijn tienerjaren was je niet cool maar tof of hot. (Oh tempora, o mores). Wie zich de slameur van de fluwelen revolutie eigen maakte was tof. Gehuld in een bedoeïnentent moest je leren headbangen, barricadehoppen, festivalshoppen en chiantilurken. Ik was helemaal niet tof. Ik werd tijdens de lessen anatomie naar voor geroepen als korperlich bewijs dat het tijdens de menselijke osteogenese behoorlijk fout kan gaan. Tanden- (en menig andere) beugel, steunzolen, bril met weckpotglazen… ik had het allemaal. Toch vond ik mezelf bijzonder tof. Ik kende truken waar anderen niet konden aan tippen. Ik kon het Wilhelmus Van Nassaue klepperen met mijn beugel en tijdens de lessen ‘expressief dansen’ bezigde ik mijn steunzolen als vingervlugge castagnetten.
Maar in de ogen van anderen was ik dus niet ‘tof’ en behoorde ik niet tot de incrowd der prijsbeesten. Tof dat waren de meisjes die zich in hun broeken lieten innaaien zodat iedere wulpse bocht van hun lichaam het testosteron door het mannelijke lijf deed gieren. Dat waren de sissies die zichzelf met patchouli overgoten teneinde een grondige kennis van de Kama Sutra te suggereren. Ze leken allemaal op elkaar, die toffe meiden. Het waren doorslagjes van elkaar.
Maar ze waren tof. Dus gooide ik mezelf in een deuk om op hen te gelijken. Ik oefende me in de zwoele oogopslag, de smalltalk en de huckle buck. Maar net toen ik dacht dat ik tot het selecte clubje kon toetreden veranderde de maatschappelijke conjunctuur. Plots moest je kunnen pogoën, je haar in pieken zetten, stagediven en je middenvinger opsteken - en dat allemaal in één beweging – alleen ;maar om tof te zijn. Daar ging mijn pasverworven streetcredibility. En zo bleef ik als een ezel achter de wortel aanhollen. Ik viel altijd net buiten de prijzen van de ‘tofawards’.
Tot ik in mijn adolescentenjaren als bij toeval in een groepje terechtkwam dat mij maar wat cool vond. Ei zo na of ik werd tot godheid verheven, en moest ik plukken haar uitdelen als relikwieën om de spirituele honger van mijn fanclub te bevredigen. Wat meer was, ze vonden me tof om net die redenen waarvoor ik eerder door alle andere toffe troela’s naar het ezelsbankje werd verwezen. Mijn verwarring was compleet.
Toen ik op gevorderde leeftijd voor de -tigste keer mijn vredesteken uit de kast haalde keek mijn zoon mij meewarig aan. ‘Moederken,’ sprak hij ‘oh moederke mijn, tof is al lang niet hip meer, vandaag moet je ‘cool’ zijn. Hij voegde meteen de daad bij het woord door zich tot de parochie der ‘Gothics’ te bekeren. Tot consternatie van de familie verscheen hij steevast als graaf Dracula op een feest. Het heeft heel wat moederlijk ‘cool’ gekost om die fase in zijn ontwikkeling te overleven. Een kind moet zich kunnen afzetten, weet je wel. Dus bleef ik Siberisch voor de satanische geluiden van ‘Slipknot’ die hij op mij losliet, al kreeg ik af en toe last van het Medea-syndroom. Maar mijn heldhaftige gedoogbeleid sorteerde effect.. Bij gebrek aan ouderlijke weerstand ruilde hij de morbiditeit in voor een Helmut Lotti-imago. Wel zo handig! Je hebt er tegenwoordig geen kind meer aan. In zijn gothicjaren had zoonlief het ook voortdurend over de Johnnies en de Marina’s. Die waren dus allesbehalve cool. ‘Tot welke categorie behoor ik?’ vroeg ik hem nieuwsgierig. ‘Jij bent een Mariette’ zei hij gortdroog. Mariette was een gedateerde voorloopster van Marina, naar verluidt. Het “Johnny en Marina” concept werd uitgewerkt in de jaren tachtig, toen de blauwe oogschaduw en het blonde kapsel al even plots onhip werden als ze in zwang waren gekomen. Broeken met wijde pijpen van Z&J en perfecto leren jassen … dat was hun stijl ? Een Johnny of een Marina moest voldoen aan bepaalde stilitische criteria met een hoog nerdgehalte. De coole kikkers droegen onderwijl merkkleding en vergooiden geld en leven aan een playstation.
De jaren negentig waren de jaren van de Kelly’s en de Kimberley’s. Terwijl Johnny en Marina hun opzichtige kleren nog kochten in een Apple’s, Zapp en andere flashy winkels, vond je Kelly en Kimberley eerder terug bij E5 mode of de C&A. Het waren klonen van Ingeborg van de VTM, met brave, nietszeggende, fletse kleren. De coole jongens hadden een gepimpte GSM en lieten zich een slavenband tatoeëren.
Zo zie je maar dat ‘cool’ zijn zo wisselvallig is als het Belgische weer. Vandaag ben je cool en morgen ben je weer helemaal aangebrand en ‘out. Hoe ouder je wordt hoe moeiliker het trouwens is om aan de vereiste criteria te beantwoorden. Eenmaal ‘mevrouw’ wordt je automatisch gediskwalificeerd. De coolfactor dooft blijkbaar ongemerkt uit in de loop der jaren, zodat je op een morgen wakker wordt met krulspelden in het haar en fuchsiarose crocks aan je voeten.
‘Dr. Kammers, een psychotherapeut vertelde mij “er zit een duister kantje aan dat cool zijn dat je belet om je gevoelens te tonen, en dat is niet gezond. Slechts een klein percentage van alle mensen is in staat om Johnny Depp cool te worden. Zij beschikken over wat in de volksmond de it-factor heet, een naturlijke uitstraling die anderen aantrekt en inspireert. De cool one’s staan daar zelf niet zo bij stil..’Maar al bij al is het voor de meeste mensen riskant al te veel in het verwerven van die it-factor te investeren. Ze begeven zich op drijfzand omdat ze een leven opbouwen op basis van het oordeel van anderen. Tevredenheid begint tenslotte bij zichzelf,’ aldus die goeie ouuwe Kammers. ‘ De gabbers die cool waren in de humaniora, doen het volgens hem trouwens niet beter in het leven,net omdat cool zijn zich op uiterlijk vertoon baseert. Als je ooit de file van werklozen aan een werklozenbureau eens van dichtbij bekijkt zal je merken dat daar toch wel een aantal van die coole kids uit de humaniora hun beurt afwachten.’
Als mensen zeggen “be cool,” bedoelen ze waarschijnlijk dat we in alle omstandigheden onszelf moeten blijvens, omdat faken zich vroeg of laat wreekt. Dat is het enige wat ik kan bedenken. En als je het daar niet mee eens bent ben je in ;mijn ogen een Johnny of een :Marina.


