
De abdij van Melk
Eetstoornissen ontstaan vaak uit een zee van pijn. En de angst om die pijn opnieuw te voelen heeft een vertrouwensbreuk veroorzaakt tussen jou en je omgeving. Je gelooft je moeder niet als zij zegt dat de remedie waarvoor je gekozen hebt erger is dan de kwaal. Je gelooft je zus niet, of je beste vriendin of je partner als zij zeggen dat zij zich zorgen om je maken of dat je er slecht uitziet. Je zit zo ingekapseld in je strenge rituelen, je waanvoorstellingen en kromme redeneringen dat genezing wel een abstract begrip lijkt. Genezen van wat? Van het slankheidsideaal? En waarom dan wel? Slank zijn is toch de max? En jij voelt je toch kiplekker. Je denkt dat de halve wereld een complot tegen je smeedt om je dik en onaantrekkelijk te maken. Tegelijk ben je heel eenzaam, je weet dat je mensen nodig hebt, maar je twijfelt zo aan jezelf dat de kloof tussen jou en de anderen onoverbrugbaar lijkt. Je bootje drijft steeds verder af van de kaai. Je hebt geen pijn meer, maar ook de vrolijkheid, warmte en geborgenheid zijn uit je leven verdwenen. En ondertussen moeten die anderen machteloos toezien hoe jij jezelf mishandelt en tekort doet.
Het eerste wat je moet leren op weg naar de genezing is om terug te vertrouwen: op jezelf, op je familieleden, je vrienden, de mensen in het algemeen, want alleen kom je er niet. Soms moet je dan een sprong in het diepe wagen. De angst om van een kale reis thuis te komen en opnieuw gekwetst te worden loert om elke hoek. Soms is het nodig dat je eerst terug gaat eten, om contact te maken met je gevoelens die door het hongeren op non-actief zijn gesteld. Maar stap voor stap zie je de wereld weer openbreken als je je hart opnieuw openstelt voor anderen. De meeste mensen zijn heus wel okee! Alleen zij kunnen de nep-veiligheid die je eetstoornis je biedt vervangen door echte veiligheid: de veiligheid van zich geliefd en gewaardeerd te weten. De legende van de Grot der Duizend Demonen kan je misschien enige houvast bieden bij die moeizame reis naar de wereld van mensen.
De legende van de Grot der Duizend Demonen.
Lang geleden was er eens een abdij die als een arendsnest tegen de roestige flanken van het Harzgebergte was aangebouwd. Het was een oord van godsvrucht en meditatie, waar de stilte alleen verbroken werd door het geschuifel van sandalen in de tochtige gangen die de kloosterkerk met de woonvertrekken van de monniken verbonden. De abt van deze abdij was een wijs man. Zijn kennis van de staathuishoudkunde, de filosofie en de theologie hadden hem tot in de verste uithoeken van Duitsland bekend gemaakt. Ja, zelfs in de semi-ketterse abdij van Melk in Oostenrijk waren zijn geschriften een inspiratiebron voor mannen die hun leven aan de godsdienst en de contemplatie hadden gewijd. In het scriptorium krasten de miniaturisten met vinnige ganzenveren citaten van hem in hun perkamenten dagboek.
Toen een kwaadaardige vorm van cataract het licht in zijn ogen doofde en zijn handen kromtrokken van de artritis, wist de abt dat zijn tijd in dit ondermaanse gekomen was. Maar een abt die zichzelf respecteert kan niet zo maar op zijn dooie gemak het loodje leggen. De voortzetting van de dynastie moet worden verzekerd. Hij moet op de valreep nog een plaatsvervanger aanstellen. En niet zomaar de eerste de beste. Een aspirant abt moet kloten aan zijn lijf hebben (in overdrachtelijke zin dan toch) en veel haptonomisch inzicht. Want indien de leden van zo’n kleine kloostergemeenschap niet voldoende stimuli aangeboden krijgen om zich ten volle te ontplooien, dan zijn Sodom en Gomorra nabij.
Vader abt brak zich het hoofd over deze opvolgingskwestie. Eén voor één liet hij zijn discipelen voor zijn geestesoog passeren. Pater Venantius was te sloom, pater Ambrosius te gulzig, pater Maximus te heetgebakerd…’Akkerdjie, akkerdjie’, riep vader abt vertwijfeld uit. Hoe meer hij nadacht, hoe verder hij van de oplossing verwijderd leek. Plotseling verscheen als bij toverslag de heilige Laurentius in een wolk van pek en solfer*, de man die al sinds jaar en dag de patroonheilige is van de administrateurs. ‘Maar vadertje abt toch’, sprak hij, ‘ik krijg er het heen en weer van om jou zo te zien nadenken. En dat terwijl de oplossing zo voor de hand ligt. Waarom onderwerp je ze niet gewoon aan de proef van de ‘Grot der Duizend Demonen’. En -zip- weg was hij.
Vader abt kon zich wel voor het hoofd slaan. Dat hij daar nu niet eerder aan had gedacht. De tocht door de Grot der Duizend Demonen was dé ultieme lakmoesproef voor moed en zelfopoffering. Wie die beproeving zonder verpinken doorstond was geheid een man uit één stuk. Niet gehinderd door angst of begeerte zou zo’n olijke olibrius vast leiding kunnen geven aan een kudde wereldvreemde monniken. Dus verzamelde vader abt alle monniken in de grote kapittelzaal van de abdij om hen van zijn lumineuze inval op de hoogte te brengen.
Toen hij zijn plannen uit de doeken had gedaan viel er een doodse stilte. De broeders staarden naar hem als konijnen naar een lichtbak. Het was broeder Martinus die als eerste zijn moed bij elkaar raapte. ‘Maar eerwaarde’, stamelde hij, ‘dat is waanzin. De Grot der Duizend Demonen is erger dan het armageddon. Wie daar en gaat, en kere niet… althans niet bij zijn volle verstand’. ‘Ach,’ zei broeder Judocus, ‘zo’n vaart zal het niet lopen, men zegt dat de verschrikkingen van de grot schromelijk worden overdreven. Er zouden drie tandeloze vampieren, twee uitgedoofde ectoplasma’s, en een stuk of wat met kettingen rammelende geesten huizen. De vampieren hebben naar verluidt meer schrik van mensen dan van een bol knoflook. Niets om over naar huis te schrijven dus’.
‘Broeders, broeders, jullie dwalen”, sprak broeder Venantius die de intello van het gezelschap was. ‘De grot is het rijk van onze grootste angsten. Ze krioelen er rond, ontelbare keren uitvergroot en zo reëel dat je ze bijna kan aanraken. Wat meer is: dwars door de grot loopt er een wankele brug die gemaakt is van riet en lianen. Je moet die brug oversteken om de gouden wisselbeker voor moed en volharding te veroveren die achteraan in de grot op een fluwelen kussen rust. Maar de angsten laten je niet met rust. Ze wriemelen door elkaar als vleesetende planten en likken aan je vingers en je tenen terwijl jij over die halfvergane brug laveert.’
De woorden van broeder Venantius waren nog niet koud of er ontstond tumult in de zaal. Broeder Judocus herinnerde zich plotseling dat hij aan een lange slepende zieke leed en op doktersvoorschrift het bed moest houden. Broeder Martinus kreeg een visioen waarin van de weeromstuit de dood van zijn grootvader werd aangekondigd. Kortom: met zijn allen bedachten ze de gekste excuses om te ontsnappen aan de beproeving die hun geestelijk leider voor hen in gedachten had. Maar vader abt hield voet bij stuk. Eén voor één moesten de monniken in de grot afdalen.
Broeder Venantius nam het voortouw. Met knikkende knieën zette hij de eerste stappen op de brug. De andere broeders volgden in zijn kielzog, terwijl ze tussen neus en lippen de gebeden der stervenden prevelden. Toen ze tot diep in de buik van de grot waren doorgedrongen, maakte de duisternis plaats voor een diffuus licht. Donkere schaduwen begonnen zich geleidelijk aan los te maken van de door salpeter aangetaste wanden. Ze namen alle mogelijke geometrische vormen aan.
‘Een schoonmoeder!’ gilde broeder Judocus, en hij sloeg zijn handen voor zijn ogen. ‘Ammenooitniet’, klappertandde broeder Martinus die aan arachnofobie leed. ‘Dat zijn spinnen; dikke, vette spinnen, van het soort waarvan zelfs vogelspinnen of tarantula’s zich het lazarus schrikken.’ Dat was meer dan de broeders verdragen konden. Met een ultieme krachtinspanning gooiden ze hun verstijfde lichamen een halve slag om en ze renden zo snel als hun benen hun dragen konden naar de uitgang van de grot.
Vader abt stond hen buiten op te wachten. ‘Al terug?’ vroeg hij niet zonder een zweempje van spot in zijn stem. Maar de monniken waren te overstuur om hem van repliek te dienen. ‘Jongens, jongens, toch’ zuchtte vader abt, ‘heeft niemand van jullie dan het geheim van de grot ontsluierd? Zelfs een kind kan die demonen de baas met de geheime code op zak!’.
‘Vertel op!’ knorde broeder Venantius gemelijk, ‘wat is het geheim van de grot dan wel?’
‘C’ est simple comme bonjour’, antwoordde vader abt, ‘niet versagen is de boodschap; wat je ook doet, wat je ook hoort, wat je ook voelt, blijf gewoon de ene voet voor de andere zetten’. Vertrouw er op dat de schat die je aan de andere kant van de grot zal vinden voldoende de moeite waard is om bepaalde risico ’s te nemen.’
Uit deze legende heb ik altijd heel veel kracht geput. Voor mensen met een eetstoornis is ‘herstel’ een heel abstract begrip. Wat moet iemand die regelmatig door het lint gaat en zich onbeheerst volpropt zich daar bij voorstellen. Of iemand die precisie en controle hoog in het vaandel draagt. Daarom ook is het zo belangrijk om vertrouwen te hebben. Niet noodzakelijk in een hogere macht, maar wel in de woorden van een goede therapeut, in de liefde van je familieleden, in je waarde als persoon en in je vermogen om risico’s te nemen. Vertrouwen dat je voor iets grootser bestemd bent dan voor die zinloze machtsstrijd met je lichaam. Net zoals de monniken uit de legende moet iemand die wil genezen voetje voor voetje zetten en volhouden, in weerwil van wat zij ziet in de spiegel, of voelt in haar lichaam, of ondanks de boze stemmen die huishouden in haar hoofd. Dat betekent mild zijn voor zichzelf en zichzelf aanvaarden. Dat betekent een tijdelijke afschaffing van de voorwaardelijke wijs: als – dan. Maar dat betekent ook de confrontatie aangaan met pijnlijke emoties in plaats van voor iedere moeilijke situatie op de vlucht te gaan (of te hongeren of te bunkeren).
Men zegt wel eens dat geluk een reis is, geen bestemming. En dat geldt zeker voor het genezingsproces van een eetstoornis.
(*Dat had hij Belzebub een keertje zien doen, en hij vond dat een bijzonder ‘coole’ act).
Wordt vervolgd
John Hiatt: have a little faith in me
When the road gets dark
And you can no longer see
Just let my love throw a spark
And have a little faith in me
And when the tears you cry
Are all you can believe
Just give these loving arms a try
And have a little faith in me
And have a little faith in me
Chorus:
Have a little faith in me
Have a little faith in me
Have a little faith in me
Have a little faith in me
When your secret heart
Cannot speak so easily
Come here darlin
From a whisper start
To have a little faith in me
And when your backs against the wall
Just turn around and you will see
I will catch, I will catch your fall baby
Just have a little faith in me
Chorus
Sung over fade:
Well, Ive been loving you for such a long time girl
Expecting nothing in return
Just for you to have a little faith in me
You see time, time is our friend
cause for us there is no end
And all you gotta do is have a little faith in me
I said I will hold you up, I will hold you up
Your love gives me strength enough
So have a little faith in me


