Een opdracht die ik kreeg voor een tijdschriftartikel
De grote uitdaging van de geglobaliseerde wereld vandaag is niet het bereiken van uniformiteit maar de erkenning en aanvaarding van het verschil.
Diana Wong (assistent professor internationaal beleid en globale strategieën, Massachussetts, USA)
Het was welhaast met een messiaanse bevlogenheid dat de neo-liberale goeroes van de vrije markt destijds hun blijde boodschap aan de man brachten: de hemel was nabij maar niet zonder geween en geknars van tanden. Inleveringen op het loon, besnoeiingen in de sociale sector, prijsstijgingen moesten de weg bereiden voor concurrentiële bedrijven die potten konden breken op de internationale vrije markt van McWorld. De beproefde burger zou op termijn de dividenden opstrijken van zijn inspanningen: werk en welvaart binnen het bereik van iedereen.
Twintig jaar later weten we met zijn allen dat deze sirenenzang op een valse notenbalk werd gecomponeerd: het ontwikkelingsmodel dat vandaag wordt gepromoot zorgt voor toenemende ongelijkheid. Werkloosheid en stijgende armoede van steeds bredere strata van de bevolking zijn de hoofdkenmerken van de neo-liberale economische politiek. De kloof tussen Noord en Zuid, en tussen arm en rijk is zo breed als de Grand Canyon en het ecologische en sociale deficit doet naar adem happen. De globalisering voltrok zich volgens de onwrikbare wetten van Mattheus: aan wie heeft zal gegeven worden. Mensen met geld en toegang tot onderwijs deden er hun voordeel mee. De minder fortuinlijken vielen bij bosjes uit de boot.
De logica van de vrije markt had bovendien een heel andere invloed op vrouwenlevens dan op mannenlevens. Terwijl alle internationale organisaties zoals UNICEF, de Wereldbank, De Verenigde Naties het er inmiddels roerend over eens zijn dat de gelijkheid van vrouwen en hun volwaardige participatie aan de samenleving een win-winsituatie is voor iedereen, laat de praktijk nog veel te wensen over. Vrouwen vertegenwoordigen meer dan de helft van de wereldbevolking. Zij staan in voor 2/3 van het sociaal noodzakelijk werk en toch bezitten zij slechts 10% van het wereldinkomen en maar 0,98% van ’s werelds eigendommen. 70% van de naar schatting 1,3 mensen die in abjecte armoede leven is van het vrouwelijk geslacht, de meerderheid daarvan is analfabeet en heeft geen toegang tot basisbehoeften zoals drinkwater. Tweederde van de 130 miljoen kinderen die niet naar school gaan zijn meisjes. Als bijna 900 miljoen vrouwen moeten overleven met een inkomen van minder dan 1 dollar per dag, is het verband tussen genderongelijkheid en armoede een onrustwekkende realiteit. (UNIFEM).
Toch kan men niet alle vrouwen over dezelfde kam scheren. Vrouwen hebben raakpunten omwille van hun gemeenschappelijke genderidentiteit, maar ze zijn ook verdeeld op basis van klasse, etniciteit, religie, leeftijd, ideologie en seksuele voorkeur. Deze verschillen moeten in rekening gebracht worden als we praten over globalisering en vrouwen. Het is inderdaad zo dat de voordelen van één vrouw een verlies kunnen zijn voor een ander. Veel westerse vrouwen die goed hun brood verdienen zien er geen graten in om goedkope Aziatische huishoudhulpjes in te huren om hun huishoudelijk werk te verlichten. Ook hier geldt immers het adagium: ‘de één zijn brood is de ander zijn dood’.
Globalisering heeft soms zulke negatieve gevolgen voor vrouwen en kinderen dat kenners wel eens beweren dat ‘globalisering een fundamentalistische Talibanstrijder is’. In sommige landen worden de verworvenheden van vrouwen met tientallen jaren teruggeschroefd.
En terwijl in de grootsteden van ‘the Global Village’ de luxe wordt geëtaleerd, stijgt de armoede in het Zuiden.
De Derde Wereld leeft in symbiose met de Eerste: zij zijn kop- en muntzijde van eenzelfde medaille. Zonder de goedkope grondstoffen en lage loonkosten van de Derde Wereld zijn de fenomenale winsten van de financiële en economische centra niet mogelijk. Vermits vrouwelijke arbeid altijd aan een gunsttarief wordt gekocht kreeg de armoede in de ontwikkelingslanden met een hoge schuldenlast een uitgesproken vrouwelijk gezicht. Vrouwen worden dubbel zo hard getroffen als mannen door het beleid van internationale instanties die het economische verkeer regelen. De Structurele aanpassingsprogramma’s die de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds opleggen inruil voor kredietverstrekking snijden het diepst in vrouwelijk vlees.
Nicaragua spreekt wat dat betreft boekdelen. Na de verkiezingsnederlaag van de Sandinisten in 1990 werd het beleid in Nicaragua op een monetaristisch neoliberale leest geschoeid. De wereldbank dwong het land in een keurslijf van structurele aanpassingsprogramma’s. Het voorbije decennium stegen de prijzen, stagneerden de lonen, nam de werkloosheid een hoge vlucht en bloeide de informele economie als nooit voorheen. De kloof tussen de ‘haves’ en ‘have nots’ nam dramatische vormen aan. Vandaag leeft 70% van de Nicaraguaanse bevolking onder de armoedegrens. Vrouwen zijn de armsten onder de armen. Besnoeiingen in de publieke uitgaven verplichten hen bovendien om de zorg voor zieken, ouderen en gehandicapte familieleden op zich te nemen. De mannelijke Nicaraguaan komt door de spanningen van de alledaagse ‘struggle for life’ zwaar onder druk te staan. In 1998 rapporteerde de politie van Managua dat familiaal geweld tegen vrouwen en kinderen op één jaar tijd met 17% gestegen was.
Vrouwelijke arbeid – de motor van globalisering
Onder invloed van de economische globalisering is de vrouwelijke betaalde arbeid de laatste 50 jaar nochtans aan een steile opmars begonnen. Wereldwijd steeg het aandeel van ongeveer 40% naar 80%. In de Derde Wereld was dat van 40% naar 70%. De meerderheid van de werknemers in de nieuwe sectoren die consumptiegoederen en diensten produceren voor de wereldmarkt zijn vrouwen: in de kledingnijverheid, in de productie van sportkledij en van elektronische onderdelen, in call centers voor financiële diensten, in boomgaarden, in bloemenkwekerijen zijn bedrijvige vrouwenhanden in de weer.
Ook in de sector toerisme – nog zo’n bijproduct van de economische internationalisering – zijn er proportioneel veel vacatures voor vrouwen. Toch is het zonneklaar dat overal ter wereld vrouwelijke arbeid zowel privé als publiek stiefmoederlijk wordt behandeld. Als vrouwen buitenshuis gaan werken, komen ze vaak in de slechtst betaalde banen terecht en hun huishoudelijke taken dragen nog altijd het label van ‘werken van barmhartigheid.’ Een wezenlijk kenmerk van de hedendaagse globalisering is bovendien de groeiende tendens om arbeid alsmaar meer te flexibiliseren: part-time jobs, gelegenheidscontracten, uitzendwerk, jobs in de informele sector zetten de werkzekerheid van vrouwen op de helling en geven hen weinig onderhandelingsmacht om betere arbeidsvoorwaarden, lonen, of bedrijfsvoordelen te bepleiten.
De meerderheid van de nieuwe vrouwelijke werkneemsters vindt een baan in de dienstensector – vaak in jobs met een hoge status die voordien door mannen werden ingevuld. Anderen worden betaald om jobs te doen die traditioneel tot het domein van het onbetaalde thuiswerk behoorden. Over de hele wereld moesten mannen in diensten zoals banken en computerterminals het veld ruimen voor vrouwen.
Maar er was een keerzijde aan de medaille, deze jobs maakten een duik op de loonschaal en werden gefragmentariseerd in meerdere kleine taken waarvoor precieze instructies bestonden. Bankieren was bijvoorbeeld traditiegetrouw een goedbetaalde mannenjob met een hoge status. Maar zelfs voor internet de wereld veroverde stelde nieuwe technologieën de banken in staat om jonge vrouwen aan te werven die genoegen namen met een aalmoes om eenvoudige, repetitieve taken uit te voeren. Vandaag zijn het vrouwen die dag en nacht de call centers van grote banken draaiende houden.
Bank 24’s call center in Bonn is daarvan een typisch voorbeeld. Een contingent van 500 vrouwen behandelt gemiddeld 8000 oproepen op een doordeweekse dag. Alle gesprekken met klanten worden opgenomen op tape, zowel uit veiligheidsoverwegingen als voor controle van de prestaties. Een scorebord geeft aan hoeveel klanten er wachten op een gesprek. Geen enkele klant mag langer dan drie minuten wachten en de werknemers krijgen instructies om de lengte van een gesprek aan te passen aan de hoeveelheid inkomende gesprekken. Big Brother is in deze callcentra tastbaar aanwezig.
En er is nog meer bloed aan de paal. Vrouwelijke werkneemsters dansen in de globale economie voortdurend op de slappe koord. Zij hebben hun job broodnodig, maar de omstandigheden waarin zij moeten werken zijn vaak ondermaats. In de vrijhandelszones regeert de wet van het ‘Wilde Westen’. Multinationals lichten de hand met arbeidswetgeving en veiligheidsvoorschriften en hebben geen oog voor de collateral damage die daarmee gepaard gaat. Arbeidsters in de elektronische sector lijden aan een scala van aandoeningen, terwijl de gezondheid van vrouwelijke seizoenarbeidsters in de exportlandbouw bedreigd wordt door chemische producten en pesticides. Vrouwen die werken in computerterminals moeten van hun kant de strijd aangaan met stralingseffect en stress.
Door het globale karakter van de moderne wereldeconomie zijn de nieuwe arbeidsplaatsen bovendien erg gevoelig voor economische crises die worden uitgelokt door paniekreacties op de kapitaalmarkt. Het instorten van de Zuid- en Oost-Aziatische economieën in 1998 maakte veel fabrieksarbeidsters werkloos. Gegevens over afdankingen in de elektronische sector van Maleisië onthulden dat 26% van de werknemers werden afgedankt in een periode van 17 maanden. De meerderheid daarvan waren lokale arbeiders, maar 65% van de afgedankten waren vrouwen. In Zuid-Korea werden dagelijks tienduizend arbeidsters ontslagen terwijl de vrouwen die met hun inkomsten volledig of gedeeltelijk instonden voor het overleven van hun familie moesten inleveren op hun loon. De lange mars naar gelijkheid voor vrouwen in de regio kwam tot stilstand.
Maar dat was een voorspelbaar scenario. Immers, arme vrouwen bevinden zich in Azië onderaan een verticaal onderaannemingsproces, waarbij op alle niveau’s een stuk van de koek wordt afgesneden. Deze laaggeschoolde vrouwen die in de stedelijke sloppenwijken of in plattelandsdorpen wonen, maar ook migrantenvrouwen worden het ergst uitgebuit omdat zij extra kwetsbaar zijn.
Er zijn tal van facetten van de globalisering die de achillespees van vrouwen blootleggen. De groei van het internationale transport, het toerisme en de ontspanningsindustrie, bijvoorbeeld, hebben de vraag naar vrouwenhandel voor seksuele doeleinden aangezwengeld. Het stijgend aantal sex workers – is een fenomeen dat tekenend is voor het globale bereik van diensten en markten. In Rusland is de seksindustrie één van meest winstgevende activiteiten, enkel voorafgegaan door de wapen- en drugshandel. Zowel porno als prostitutie zijn in hoge mate verbonden met geweld op vrouwen. De seksindustrie gedijt goed in conflictgebieden, zeker als er een grote militaire aanwezigheid is.
Terwijl globalisering vrouwen definitief op de kaart zette van de universele arbeidsmarkt, bleven zij onverminderd verantwoordelijk voor onbetaalde reproductieve activiteiten (taken voor het gezin, het huishouden, de gemeenschap) in een toenemende onstabiele wereld. Het gemak waarmee heel wat vrouwen een inkomen weten te verwerven vernietigt elke illusie dat mannen een unieke rol spelen als kostwinner voor het gezin. Toch wijst niets er op dat mannen meer taken op zich nemen die traditioneel tot het vrouwelijke domein van het huishouden behoren. Door de ratrace waarop de groei van de vrije markt is gebaseerd wordt de zorg voor kinderen nochtans een hele opgave. Globalisering is immers ambivalent waar het de seksuele vrijheid en de reproductieve rechten van vrouwen betreft. Voor vrouwen in de Latijns-Amerikaanse maquiladoras (vrijhandelszones in o.m. Mexico) betekent het niet meer of minder dat zij geen recht meer hebben om kinderen te krijgen. Voor anderen betekent het dat zij de kinderen die zij met hun werk willen voeden moeten verwaarlozen.. De roep om ‘de nieuwe man’ die bereid is stereotype rollenpatronen te doorbreken wordt steeds luider. Dit is een bron van stress en conflict in tal van huisgezinnen. Veel huwelijken spatten als een zeepbel uit elkaar en de gemeenschap richt zijn gifpijlen op de vrouwelijke echtbreeksters die agressief ‘een eigen ruimte’ opeisen.
Is globalisering dan een doos van Pandora die alleen maar kwalen over vrouwenhoofden uitstrooit? Dat zou een al te pessimistische voorstelling van de feiten zijn. Vooral in conservatieve landen zoals Indonesië, Ierland en Thailand betekent globalisering ook meer vrijheid voor vrouwen. Voor het eerst in hun leven zijn deze vrouwen economisch onafhankelijk van hun echtgenoten en mannelijke familieleden en kunnen zij – indien gewenst – schort en vaatdoek aan de wilgen hangen. Door vrouwen in te schakelen in het arbeidsproces, heeft globalisering hen de macht gegeven waaraan het hun in het verleden ontbrak: de macht om een einde te stellen aan oude patriarchale systemen die armoede, uitbuiting en onderdrukking in stand hielden. Dankzij de beschikbaarheid van contraceptie moeten vrouwen bovendien niet langer genoegen nemen met onbevredigende relaties. Volgens waarnemers is er evenwel alleen in de rijke westerse landen sprake van een groeiende onafhankelijkheid van vrouwen. Vrouwen in Azië en Afrika hebben nog een lange weg te gaan.
Ondertussen verdienen vrouwen in het rijkere westen onderhand genoeg met hun betaalde arbeid om het werk dat hun doorgaans aan het thuisfront nog te wachten staat aanzienlijk te verlichten. De massaproductie van gesofisticeerde toestellen zoals wasmachines, stofzuigers, droogkasten, microgolfovens betekent een wereld van verschil voor vrouwen die zich deze luxe kunnen veroorloven. De meeste gezinnen die boven de armoedegrens leven hebben er op de koop toe geen moeite mee om op regelmatige basis buitenshuis te gaan eten, al was het maar in ‘Pizza Hut’ of ‘McDonald’s. Ook de industriële productie van voeding zit in de lift vermits veel vrouwen er geld voor over hebben om de tijd die zij achter het kookfornuis moeten besteden drastisch in te krimpen: diepvriesgroenten, instantmaaltijden, sausjes in blik helpen daarbij een handje.
Maar diezelfde technologische ontwikkelingen die het leven van vrouwen wat meer glans geven leggen een zware hypotheek op de werkvoorwaarden van de meeste werknemers, en dan vooral op die van vrouwen. Computers die de snelste tijden van de beste werkkrachten berekenen drijven het werkritme van alle werknemers op. Winkelbedienden in grootwarenhuizen moeten een vooraf bepaald gemiddelde van producten voor de scanner houden om een goed rapport te krijgen. Het competitieve klimaat dat voor hevige windstoten zorgt in het wereldwijde economische landschap is voelbaar tot op de werkvloer.
Waar ook ter wereld vrouwen tewerkgesteld zijn verdienen ze minder dan mannen, soms zelfs minder dan mannen die hetzelfde werk doen. In minder geïndustrialiseerde landen verdienen vrouwen ongeveer ¾ van de lonen van hun echtgenoten.
Vrouwen in de export- of vrijhandelszones
Volgens de Internationale Federatie van Vrije Vakbonden (ICFTU) telde de wereld in 2002 zo’n 3000 export- of vrijhandelszones (EPZ’s) verspreid over 70 landen. Het zijn gebieden met een investeringsvriendelijk belastingsregime, een soepele arbeidsreglementering en in sommige gevallen staatssteun voor de infrastructuur. De belangrijkste doelstelling van EPZ’s is het bevorderen van de exportgerichte groei. In Afrika, Zuid-Amerika en Azië creëren EPZ’s een win-winsituatie: bedrijven worden in de watten gelegd en doen in ruil daarvoor de werkgelegenheid en de exportinkomsten toenemen. Ruwweg geschat zouden er zo’n 27 miljoen werknemers worden tewerkgesteld…
De exportboom in Zuid-Oost- en Oost-Azië in het laatste kwart van de twintigste eeuw spon volop garen bij de inzet van vrouwen in exportgebonden jobs en door de transfers die door gemigreerde vrouwen naar het thuisfront werden gestuurd. In Maleisië maken elektrische en elektronische producten 60% uit van de totale productie voor export, terwijl deze industrie ongeveer 1/3 van de banen schept in het land. De meerderheid van de werknemers in deze sector zijn vrouwen.
De feminisering van de betaalde arbeid in Azië mag op conto geschreven worden van de multinationals die nood hadden aan makkelijk vervangbare arbeidskrachten. De achterliggende redenering was dat vrouwen zich van nature uit onderwerpen aan mannelijk gezag, minder geneigd zijn om zich te organiseren in een vakbond en zich sneller neerleggen bij slechte arbeidsvoorwaarden. Bovendien kunnen vrouwen makkelijker ontslagen worden door criteria als huwelijk en zwangerschap te hanteren.
In elk land waar er een vrijhandelszone gevestigd is, laten de werknemers dit verhaal noteren: de werkdag is lang: 14 uren in Sri Lanka, 12 uur in Indonesië, 16 in Zuid-China, 12 in de Filippijnen. De meerderheid van de werknemers is vrouwelijk, altijd jong, altijd in het gareel voor aannemers of onderaannemers. Het management hanteert een militaire dril: de ploegbazen maken misbruik van de vrouwen, de lonen liggen onder de armoedegrens en het gaat om laaggeschoolde arbeid… Angst is het sentiment dat hier overheerst. De regeringen zijn bang om hun buitenlandse bedrijven te verliezen; de bedrijven zijn bang om de kopers van hun merknamen te verliezen en de arbeidsters zijn bang om hun onzekere jobs te verliezen.
Onderzoek bij een aantal multinationals toonde nochtans aan dat niet alle arbeidsters lamenterend aan de klaagmuur stonden. Veel vrouwen waren best tevreden met het loon dat zij maandelijks opstreken. Het had hun status in het gezin en hun positie in de maatschappij een duwtje in de rug gegeven. Zij voelden zich erg betrokken bij het reilen en zeilen in hun onderneming. Vrouwen in Latijns-Amerika en Azië organiseerden in 1999 en 2000 een samenkomst in het kader van een uitwisselingsprogramma van ‘the Asia Monitor Resource Center.’ Getuigenissen van vrouwen uit beide continenten brachten naar voor hoe de globalisering in hun levens had ingegrepen.
Tijdens de slotzitting werden hun bevindingen op een rijtje gezet: De arbeidsvoorwaarden van werkneemsters in Latijns-Amerika en Azië hadden sterke overeenkomsten, maar hun levens aan weerszijden van de nulmeridiaan verliepen volgens een geheel eigen patroon. Terwijl de werkneemsters in de Aziatische vrijhandelszones overwegend ongehuwd door het leven gingen, bestond de vrouwelijke delegatie uit Centraal Amerika hoofdzakelijk uit alleenstaande moeders met meerdere kinderen. Zij vervulden de dubbele taak van hoofd van het gezin en kostwinner. Daarom was een job ook zo belangrijk voor hen; zij moesten zowel hun ouders als hun kinderen ondersteunen. Dit lag anders voor werkneemsters uit Azië, vooral voor de Chinese vrouwen die in slaapsteden woonden. Werkneemster in de maquiladoras van Latijns-Amerika gingen na hun dagtaak naar huis om voor hun kinderen te zorgen. Het werk in de maquiladoras is relatief goed betaald, vooral in landen waar het werkloosheidscijfer oploopt tot 60%. Dat is ook een van de redenen dat vrouwen bewust kiezen voor dit soort werk. Het is de keuze voor de beste der werelden: de andere opties zijn werkloosheid in de rurale gebieden of huishoudelijk werk bij een rijke familie. Werken in een vrijhandelszone is dan nog niet eens zo’n slecht alternatief.
Maar door de bank genomen mag men stellen dat de arbeidsomstandigheden en het gezinsleven in deze vrijhandelszones verre van rooskleurig zijn. De verhalen die de meeste werkneemsters laten optekenen zijn een gekloonde versie van de schrijnende vrouwenverhalen uit de Vlaamse textielindustrie aan het eind van de 19de eeuw. En de mensonterende omstandigheden in de sloppenwijken waarin ze moeten leven doen denken aan Ierland in de eerste helft van de vorige eeuw, zo treffend beschreven in ‘Angela’s Ashes’ door Frank McCourt. De strijd om ‘Bread and Roses’ staat hier duidelijk nog in de kinderschoenen.
Toch zijn er tekenen van hoop. In 1998 organiseerden de vrouwen in the Masan Free Export Zone in Korea ondanks het verbod op vakbonden een staking voor een loonsverhoging. En met succes. De werkgevers bonden in en trokken de lonen op met 5 tot 10 dollar per dag. En in Sri Lanka organiseerden de werknemers zich in ‘the Association of Workers’ en ‘Workers councils of the Free Trade Zones’. Niet meteen de meest militante stoottroepen van het land, maar in 1997-1998 ondersteunden zij een protestactie van de werknemers van de Sky Sports fabriek in de Katunayake, de grootste vrijhandelszone van het land. Een vrouwelijke werkneemster was fysiek mishandeld door de manager omwille van een vermeende productiefout. Nadien werd zij ontslagen omdat zij de fabriek niet tijdig inlichtte toen zij medische hulp zocht voor de opgelopen verwondingen. Het protest leidde tot een ‘lockout’ en de hele zaak werd nationaal en internationaal een ‘cause célèbre’. Het gaat hier evenwel om geïsoleerde incidenten. Het feit dat vakbonden en stakingen in de meeste zones wettelijk verboden zijn, geven de werknemers niet genoeg armslag om zich te organiseren om gezamenlijke rechten af te dwingen.
De verspreiding van vrijhandelszones gaat hand in hand met flexibiliteit en onderaanneming. Maar terwijl flexibele arbeid vroeger zowat het monopolie was van vrouwelijke arbeidsters, verspreid het virus zich nu als een overdraagbare aandoening over ‘mannelijke’ industrieën en beroepen. Guy Standing van de Internationale Arbeidsorganisatie noemde in 1989 de vraag naar vrouwelijke fl exibele arbeid een universele trend. In 1996 moest hij daaraan toevoegen dat ook mannen van langsom meer met het fenomeen in aanraking kwamen.
Vrouwen in Afrika
Wat sterk in het oog springt bij de globalisering van de wereldeconomie is het feit dat sommige regio’s en sommige landen uitgesloten worden van dit proces van integratie. De Afrikaanse landen onder de Sahara worden duidelijk gemarginaliseerd. Afrika is het enige continent waar de groei van vrouwelijke betaalde arbeid minder groot is dan die van de mannelijke. De meeste Afrikaanse economieën leunen zwaar op de landbouwsector. In landbouwgebieden nemen vrouwen traditiegetrouw veel taken op zich in de subsistentielandbouw. Dit verleent hen een zeker aanzien binnen de gemeenschap.
Door de toenemende commercialisering en het verlies van landbouwgrond hebben veel vrouwen evenwel geen andere keuze dan zich in te schakelen in de exportgerichte productie. Door traditionele opvattingen over eigendom en geldbeheer is dit niet noodzakelijk een waarborg voor financieel gewin. Toen de wereldmarktprijzen door de oneerlijke handelspraktijken van Japan, Europa en de VS een historisch dieptepunt bereikten, moesten zowel mannen als vrouwen bovendien een brede waaier van activiteiten in de kleinhandel en het artisanaat ontwikkelen om de stijgende kosten van het huishouden het hoofd te bieden.
Door de globale trend om publieke diensten zoals onderwijs en gezondheidszorg in de korf van consumptiegoederen te steken is overleven op het Afrikaanse platteland zowat een olympische discipline geworden. Vrouwen betalen hiervoor de prijs. Uit een onderzoek van Oxfam (GB 1999) bleek dat landbouwersgezinnen in Ethiopië 90 tot 96% van hun magere inkomens aan voedsel besteden. Toch komt de gemiddelde Ethiopiër niet aan de hoeveelheid benodigde calorieën. Alle gezinnen werden armer maar gezinnen met aan het hoofd een vrouw en gezinnen met veel kleine kinderen zijn er het ergst aan toe. Families worden in toenemende mate afhankelijk van het lage inkomen dat vrouwen weten te verwerven met arbeidsintensieve handel.
Door de negatieve impact van de Structurele Aanpassingsprogramma’s van de Wereldbank en het IMF bestaan er in Ethiopië onvoldoende voorzieningen voor gezondheidszorg en onderwijs om aan de bestaande noden te kunnen voldoen. Bovendien zijn de huishoudbudgetten ontoereikend om schoolboeken te kopen. Lokale scholen rapporteren dat een hoog percentage kinderen thuisblijft omwille van geldgebrek, honger of kinderarbeid.
Vooral meisjes die al vroeg in het huishouden worden ingeschakeld scoren hoog voor schoolverzuim. In Addis Abeba en Delanta geloven vrouwen uit de armste huishoudens dat vrouwen en meisjes beter bestand zijn tegen honger, dus krijgen zij een kleinere portie voedsel toebedeeld. Traditionele genezers rapporteren dat zij vrouwen voor ernstige pijnen in de onderbuik behandelen. Wellicht heeft dit te maken met de zware lasten die zij over lange afstanden moeten dragen.
Mannen drukken wel eens hun bezorgdheid uit over de ondervoeding van hun vrouwen en hun zware takenpakket. Maar ze lijken machteloos om iets aan de traditionele verdeling van arbeid te veranderen. In Cherkos, Addis Abeba, beweren mannen dat volgens traditionele en religieuze verordeningen vrouwen verantwoordelijk zijn voor alle huishoudelijke werk.
Buitenshuis worden vrouwen vertegenwoordigd door mannen in de traditionele beleidsstructuren van de gemeenschap. Daar wordt de gemeenschap georganiseerd en bestuurd bij ontstentenis van actieve lokale regeringsstructuren.
Veel Ethiopische vrouwen moeten bevallen zonder efficiënte medische hulp en post-natale zorg is zo goed als onbestaande. Huwelijken op jonge leeftijd zijn schering en inslag. Jonge meisjes trouwen tussen hun twaalfde en achttiende jaar. Naar schatting 85% van de meisjes en vrouwen in Ethiopië zijn besneden. Het is een hardnekkige praktijk die ondanks bewustmakingscampagnes overeind blijft.
Veel moeders in Addis Ababa willen hun dochters naar school sturen ‘opdat zij niet moeten lijden zoals ons’, zoals een moeder het stelde. Anderen zien daar het nut niet van in ‘als alles wat ze ooit moeten doen is huishoudens besturen en graan malen’.
Niet alleen in Ethiopië moeten Afrikaanse vrouwen culturele en andere obstakels overwinnen om terrein te veroveren op de economie. De Internationale Arbeidsorganisatie ondernam aan het eind van vorig millennium een project in Zimbabwe, Zambia en Oeganda om vrouwelijke ondernemers in het zadel te helpen. De projectverantwoordelijken kwamen voor structurele barrières te staan die specifi ek waren voor die regio’s. Vrouwen waren er lager opgeleid dan mannen en beschikten niet over het nodige startkapitaal. In Zimbabwe werd pas in 1981 de wettelijke meerderjarigheid van toepassing op vrouwen.Voordien werden ze tot in lengte der dagen beschouwd als handelingsonbekwame minderjarigen.
Ondanks aangepaste wetten gooien culturele taboes ook vandaag nog hun schaduw over de positie van de vrouw in Zimbabwe. Vrouwen worden opgevoed in de overtuiging dat veel geld verdienen immoreel is. Volgens de traditionele gebruiken is alles wat de vrouw verdient ipso facto eigendom van haar echtgenoot. Zij is zijn eigendom door ‘lobola’, de bruidsschat die door haar man betaald werd aan haar ouders.
Vrouwen kunnen ook geen land bezitten of erven. Land is eigendom van mannen en kan enkel geërfd worden via de mannelijke lijn. Vrouwen moeten het land bewerken voor hun vader, later voor hun echtgenoten en tenslotte voor hun zonen. De opbrengst van de oogst gaat integraal naar hun man. De vrouwen voelen dat geld een uitdrukking is van macht, en dat cultuur door mannen wordt gebruikt als een vehikel om vrouwen van de macht af te houden.
De sociale kwaliteiten waarover een vrouw dient te beschikken liggen op het emotionele vlak: het bevorderen van de vrede en het voorkomen van confl icten; eerlijkheid en evenwicht in het verdelen van middelen zodat zowel de gemeenschap als de familie er baat bij hebben (zelfs in een mate dat zij zichzelf middelen ontzeggen ten voordele van anderen); de promotie van sociale rechtvaardigheid. Met deze houding is het bijzonder moeilijk voor de vrouwen van Zimbabwe om zelf voor een inkomen te zorgen. Zij beschouwen zich als secundaire kostwinners. Zo blijven ze vastzitten in het web van kleinschalige ondernemingen die geen perspectief bieden op bevrijdende economische ‘empowerment’ die onafhankelijkheid van mannen kan garanderen.
In conflict- of post-conflictgebieden komen veel Afrikaanse vrouwen door het ontbreken van erfenis- en eigendomsrechten terecht in een spiraal van armoede. Tijdens de genocide in Rwanda werden miljoenen Rwandese vrouwen weduwe. Duizenden jonge meisjes moesten door de dood van hun ouders de voogdij over broertjes en zusjes op zich nemen. Meestal konden deze oorlogsslachtoffers geen aanspraak maken op de huizen en bezittingen van hun echtgenoten en vaders omdat die ingepalmd werden door mannelijke familieleden.
Het is geweten dat schuldenlast, armoede en conflict een cyclische verhouding hebben en het is geweten dat dit een cirkel is die moet worden doorbroken. Het ‘International Development Select Committee’ (IDSC) van de Britse regering nam het IMF en de Wereldbank op de korrel voor hun aanpak van landen in pre- en post-conflict situaties. Het comité noteerde dat het driejarige aanpassingsprogramma voor Rwanda enkel een kleine stijging van de bestedingen voor gezondheidszorg en opleidingsmogelijkheden toelaat, en geen ruimte schept voor investeringen in heropbouw, verzoening en verlichting van de schrijnende armoede die een van de oorzaken van de oorlog en de genocide was.
Als traditionele bronnen van tewerkstelling en inkomensverwervende activiteiten niet langer beschikbaar zijn, migreren veel mannen en sommige vrouwen naar andere delen van het land of zelfs naar andere landen of continenten. Gezinnen worden op die manier uit elkaar gerukt. De effecten van migratie naar stedelijke gebieden of het buitenland kan ook gezinsleden achterlaten in absolute armoede. Gezinnen met een vrouw aan het hoofd vormen daarin een afgetekende groep.


![UT 3, 4 & The Milky Way [video] UT 3, 4 & The Milky Way [video]](http://static.flickr.com/2633/4135738280_d16c9dd389_t.jpg)