Toen het Vlaams Blok veroordeeld werd wegens het verspreiden van racistische propaganda werd er moord en brand geschreeuwd over de aantasting van de vrije meningsuiting. Ik kreeg de opdracht om een argumentarium uit te werken dat die beteugeling van kop- en voetnoten voorzag. Het was vijf voor twaalf, want in Antwerpen maakte Filip Dewinter zich op om de burgemeesterssjerp om te.gorden. Even later werden Luna en Oulemata vermoord door Hans Van Temsche, duidelijk moorden die door racisme en een Vlaams Belang-adoratie werden ingegeven. Ik was nauw betrokken bij de organisatie van de 0110-concerten, de ‘zonderhaatstraat’-campagne en de stille marsen. Al deze initiatieven samen maakten dat Filip Dewinter bij de gemeenteraadsverkiezingen die volgden in het zand beet. De vreugde en de voldoening van al dat werk waren groot. Het charisma van Patrick Janssens? Ammenooitniet. Zwaar labeur van heel wat mensen samen was dat.
(fragment)
Maar het debat over de regulering van haatpropaganda op het internet ging hopeloos de mist in. De grote splijtzwam was eens te meer het recht op vrije meningsuiting en de hoogst eigenzinnige wijze waarop landen daarmee omgaan. In Amerika is het First Amendment dat het recht op vrije meningsuiting garandeert een heilig huisje dat niet wordt ingetrapt tenzij er fysiek geweld aan te pas komt. Zo kan een lid van de Ku Klux Klan omzeggens straffeloos een kruis verbranden in de voortuin van zijn zwarte buur en er nog nazistische hymnen bij zingen ook. ‘Recht op vrije meningsuiting’ oordeelt het ‘Supreme Court’ dan losjes uit de pols. Het kwam dan ook niet echt als een verrassing dat Amerika met een bondig ‘njet’ antwoordde op de voorstellen van de Europese lidstaten om een cyberoorlog tegen het racisme te ontketenen.
Een banale voetnoot in de geschiedenis wellicht, ware het niet dat ook het racistisch geweld inmiddels aan een steile opmars was begonnen. In 1999 waren moord en poging tot moord op raciale, etnische, godsdienstige of culturele gronden voorpaginanieuws in de nationale massamedia van Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Zweden, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. Zowat in alle landen van Europa en Amerika schoten nieuwe neo-nazigroeperingen als paddestoelen uit de grond. Als klap op de vuurpijl namen de gewelddadige aanslagen van skinheads op allochtonen en minderheden hand over hand toe. Duitsland nam daarin het voortouw. In 1992 telde dit land 2.285 uitbarstingen van extreem-rechts geweld. Vreemd genoeg vond de helft van deze gewelddaden plaats in de voormalige DDR, waar slechts 21 procent van de bevolking leefde. Amerika schoof geruisloos mee in deze neerwaartse geweldspiraal. Het geweld op de Aziatische inwijkelingen nam er de voorbije jaren haast epidemische vormen aan, terwijl zowel in Amerika als in Canada de brandende kruisen van de Ku Klux Klan ook bij de zwarte bevolking opnieuw terreur zaaiden
Europa in het geweer tegen racisme
Met het oog op de toenemende multiculturaliteit van de Europese lidstaten besloot de Europese Raad van de nood een deugd te maken en het racisme op eigen front te bestrijden met de internationale instrumenten die voorhanden waren. De schijnbare paradox van de geschiedenis: dat racisme toenam als de democratie zich verspreidde over de post-communistische wereld bracht dit proces in een stroomversnelling. De expansie van de vrije markt had duidelijk ook veel ellende en ongenoegen met zich meegebracht.
De Europese Raad drong er bij de lidstaten op aan om het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie van de Verenigde Naties in hun nationale wetgeving te implementeren. Artikel 4 van dit verdrag stelt het verspreiden van racistische denkbeelden die aanzetten tot rassenhaat of het behoren tot en het steunen van een racistische organisatie strafbaar bij wet. Sommige lidstaten maakten een voorbehoud tegen dit artikel omdat zij zelf de demarcatielijn tussen vrije meningsuiting en andere democratische rechten wilden aangeven
Tegelijk riep de Europese Unie de internationale gemeenschap op om de dialoog en de onderhandelingen voor het tot stand brengen van een wereld waar vrede, recht en verdraagzaamheid heersten een nieuw elan te geven en elk afglijden naar nationalisme, racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden. Immers, het bereiken van een hoog niveau van zekerheid voor de burgers in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is een doelstelling die stevig verankerd zit in het Verdrag van Amsterdam waarop de Europese Unie is gegrondvest
Veel geschreeuw om weinig wol, oordeelden de hardliners van de vrije meningsuiting. Was het geen slag in de lucht om te stellen dat het verspreiden van racistische propaganda via de nieuwe media tot een wildgroei van het geweld op vreemdelingen zou leiden. Het causale verband tussen beide was nog nooit op wetenschappelijke wijze aangetoond. ‘Beter voorkomen dan genezen’, pareerden de voorstanders van een begrensde vrije meningsuiting, ‘moeten er eerst doden vallen?’
Het is op zijn minst merkwaardig dat tot dusver geen enkele wetsbepaling de controverse over de vraag waar de vrijheid van meningsuiting ophoudt en gelijkheid van rechten begint als een nachtkaars heeft doen uitgaan. Vrije meningsuiting is een icoon van de democratische maatschappij de hoeksteen voor alle andere burgerlijke vrijheden, een conditio sine qua non voor het politieke discours. Maar in een wereld waarin de effecten van racistische opvattingen maar al te zichtbaar zijn, moeten er twee vragen gesteld worden omtrent het absolute recht op vrije meningsuiting: welk prijskaartje hangt er aan vast en wie is er de dupe van
Haatpropaganda en censuur
Wie het over censuur heeft begeeft zich op glad ijs. Het is een voortdurend afwegen van belangen en gevoeligheden. Als we homo’s de kans geven zich te uiten schaden we dan niet de subjectieve belevingswereld van de religieuze fanaticus? Censuur kan doden en verlammen. Als mensen onder het politiek correcte juk hun daden met de mantel der geheimhouding gaan bedekken, ontsnappen zij aan de democratische controle en staat niets nog straffeloos misbruik in de weg. In de Verenigde Staten wordt ‘hate speech’ verdedigd als de prijs die de samenleving heeft betaald om het recht op vrije meningsuiting te vrijwaren. Een dergelijke regeling, meent de overheid, is per slot van rekening ook een stok achter de deur voor raciale en andere minderheden, vermits het ook hun recht om eigen standpunten te verdedigen in ere houdt
Haatpropaganda en censuur bewegen zich inderdaad in hetzelfde mijnenveld. In Amerika voerden de bekende feministen Catherine Mac Kinnon en Andrea Dworkin net voor de millenniumwisseling een spraakmakende campagne om pornografie buiten de wet te stellen. Zij verdedigden daarmee hun zienswijze dat pornografie een vorm van ‘hate speech’ was: het herleidt vrouwen tot seksuele objecten en onderwerpt hen op een vernederende manier aan mannen. Hoewel de Amerikaanse rechtbanken Oost-Indisch doof bleven voor hun argumenten, hadden hun acties tot resultaat dat de Canadese wetgever een strenge censuurwet instelde. Maar de eerste auteurs die onder het nieuwe Canadese statuut veroordeeld werden behoorden niet tot het doelpubliek dat de vrouwen voor ogen hadden. Het waren prominente homosexuele auteurs, een radicale zwarte feministe die ervan beschuldigd werd aan te zetten tot haat tegenover blanken en, tot ieders verrassing, Andrea Dworkin zelf. De fundamentalisten van de vrije meningsuiting kraaiden victorie. Hadden zij het niet met de natte vinger voorspeld! Censuur bakt vaak een koekje van eigen deeg; de aanklager wordt aangeklaagd
De paradox van censurerende wetten is dat zij telkens opnieuw werden ingezet tegen net diegenen die beschouwd moesten worden als slachtoffers van malafide praktijken, of tegen opposanten van het bewind. Politieke en religieuze dictaturen jongleerden zowat met censuur om de gevestigde orde in stand te houden. In Oost-Europa en de voormalige Soviet-Unie waren wetten op laster en eerroof een alibi om critici van het communistische regime de mond te snoeren. In Turkije werden die wetten gebruikt tegen Ismail Besikçi, een Turks student die schreef over de mensenrechtenschendingen van de Koerdische minderheid. De Zuid-Afrikaanse wetten tegen rassenhaat dienden tijdens het Apartheidsbewind om slachtoffers van het racistische beleid de duimschroeven aan te leggen.
Toch durfden ook zelfverklaarde democratieën wel eens de schaar te zetten in de vrije meningsuiting omwille van het hogere belang. Zo werd het docudrama ‘Roots’ van Alex Haley in Amerika aanvankelijk van het scherm geweerd omdat het de polarisatie van rassenhaat bij de zwarte kijkers wel eens in de hand zou kunnen werken
Het correcte denken in Amerika
Vanaf 1980 manifesteerde zich een spontane vorm van censuur op de universitaire campussen in de Verenigde Staten. Gealarmeerd door de toename van verbaal geweld introduceerden sommige universiteiten de zogenaamde ethische taalcodes, die komaf moesten maken met seksistische of denigrerende opmerkingen t.a.v bepaalde rassen, religies of vrouwen. Al de grote emancipatiegolven ter uitbreiding van de vrijheid in de Verenigde Staten – tegen de slavernij, tegen segregatie, voor de rechten van vrouwen – hadden eenzelfde claim gelegd op de vrijheid van meningsuiting. Het waren diezelfde pleitbezorgers van gelijke burgerrechten die proefondervindelijk moesten vaststellen dat vrije meningsuiting geen absoluut kon zijn, dat er correcties moesten ingebouwd worden ter bescherming van kwetsbare groepen die nogal snel het doelwit werden van ‘hate speech’. En met de invoering van deze codes was het laaiende en vaak uitputtende debat over ‘het politiek correcte denken’ geboren
Het correcte denken werd sindsdien het voorwerp van spot en discussie aan de Alma Mater. In een soort gargantueske vaudeville werd duidelijk gemaakt hoe absurd die cosmetische taalingrepen soms waren, hoe die gestalte gaven aan een soort utopisme en een ontroerend om niet te zeggen autoritair geloof dat geconditioneerd gedrag de maat was om een dergelijke complexe problematiek mee te meten. De voetangel die verborgen zit in het correcte denken is dat het zich zo snel kan keren tegen wie of wat beschermd moet worden, dat hij ergernis uitlokt bij de meerderheid en dat iedereen amechtig op zijn tenen gaat lopen voor de gemoedsrust van de ander.
De Amerikaanse Bond voor Burgerlijke Vrijheden bood alternatieve educatieve en politieke programma’s aan om het tij te keren zonder de vrije meningsuiting in het gedrang te brengen. Met positieve actie en cursussen in de geschiedenis en de functie van het vooroordeel hoopten zij de volwaardige deelname van alle studenten aan het campusleven te bevorderen en de verbale agressie in te dijken
De Amerikaanse professor filosofie Ronald Dworkin stelde in 1993 dat de vrijheid van meningsuiting het zout in de pap is van de modale burger, dat het zijn leven een toegevoegde waarde geeft: ‘Een echte democratie gaat er van uit dat iedere competente volwassene een stem in het kapittel heeft om mee te bepalen wat de wil van de meerderheid is. Een beslissing van de meerderheid is een maat voor niets indien niet iedereen een eerlijke kans heeft gehad om zijn/haar standpunten te verwoorden en daarmee anderen te beïnvloeden. Zo krijgen burgers het gevoel dat zij verantwoordelijke gezanten zijn in de actie en geen willoze objecten die over zich heen moeten laten lopen. De meerderheid heeft geen recht om zijn wil op te leggen aan iemand die niet minstens de gelegenheid heeft gehad zijn stem te verheffen voor de ultieme beslissing genomen wordt
De verleiding om uitzonderingen op de regel toe te staan, om te verklaren dat mensen geen recht hebben om schuttingtaal, pornografie of rassenhaat in te brengen in de cultuur waarin wij allen leven, is misschien sterk. Maar indien die mensen a priori monddood worden gemaakt verliezen wij onze morele titel om hen te vragen zich neer te leggen bij het collectieve oordeel dat uiteindelijk zijn neerslag gevonden heeft in wetteksten,’ aldus Dworkin.
Haatpropaganda, de lont in het kruitvat
De Italiaanse schrijver Umberto Eco zag dat anders. Samen met 40 andere Europese intellectuelen richtte hij een oproep tot alle Europeanen om op hun hoede te zijn voor de manoeuvres van extreemrechts. In een interview met het Britse tijdschrift ‘Index on censorship’ (1994) zei hij daarover: ‘Als intellectuelen hebben wij de plicht de vinger aan de pols te houden en te waarschuwen voor trends die gevaarlijk zijn voor de democratie. Daarom weigeren wij ook steun te verlenen aan radio- en TVuitzendingen van extreem-rechts. Een voorwaarde voor tolerantie is immers dat vooraf de contouren worden vastgelegd van wat niet door de beugel kan.’
Waar ging dan volgens Umberto Eco de rechtse trein de mist in? ‘Ik heb geen bezwaar tegen een ernstige en onweerlegbare studie die vaststelt dat het dodental van de nazistische genocide niet zes miljoen maar 6,5 miljoen of 5,5 miljoen bedraagt. Wat ik onaanvaardbaar vind is dat zogenaamde wetenschappelijke studies een parodie worden op zichzelf door met twijfelachtige argumenten te suggereren: ‘als er minder Joden stierven dan wij veronderstelden, kan er ook geen sprake zijn van een misdaad.’ Het was Umberto Eco en zijn kompanen een doorn in het oog dat gevaarlijke rechtse ideeën, racisme en xenofobie in steeds meer landen van Europa de wind in de zeilen kregen. ‘Daarom moet het moeilijke debat over de reglementering van haatpropaganda in de focus van de belangstelling meende hij
‘Diehards’ van de vrije meningsuiting voelen zich door dergelijke uitspraken tegen het zere been geschopt. Zij blijven er op hameren dat er weinig verband is tussen door wetten beteugelde haatpropaganda en het verminderen van etnisch- en/of rassengeweld. Zij maken zich sterk dat net meer ideeën van raciale, culturele en religieuze superioriteit de kans moeten krijgen boven water te komen, dat die ideeën moeten worden geconfronteerd om begrepen te worden; dat dialoog, opvoeding in multiculturaliteit en democratie effectievere middelen zijn om de anatomie van de haat te begrijpen dan het negeren ervan, en dat daarvoor vrijheid van meningsuiting nodig is
Hoe nobel deze principes ook mogen klinken, ze verliezen elke geloofwaardigheid in het licht van de geschiedenis van de twintigste eeuw. Het vraagt van ons enige naïeviteit om te geloven in de almacht van de democratie, om te geloven dat in een lang en traag psycho-sociaal proces de lont uit het racistische kruitvat kan genomen worden. Systematische haatpropaganda is als een bijtend zuur. Het zaait verdeeldheid in de maatschappij, compromitteert de democratische waarden en houdt ongelijkheid en onderdrukking in stand. De ironie van het lot wil dat verspreiders van haatpropaganda de meest fervente verdedigers zijn van de vrijheid van meningsuiting, terwijl zij dat recht gebruiken om de vrijheid van anderen te beknotten.
Aan het einde van vorige eeuw, werden we terug geconfronteerd met uitbarstingen van haat en vernieling omwille van raciale, politieke en religieuze verschillen, die het preludium waren voor volkerenmoorden in meerdere delen van de wereld. Amper een halve eeuw voordien had de holocaust zich voorgedaan. De holocaust begon niet met geweren en gaskamers. Die begon met woorden en propaganda. De haatcampagne van de Nazi’s tegen de Joden was zo succesrijk dat veel mensen in Europa deelnamen aan de pogingen van de Nazi’s om hen systematisch te vermoorden. Indien dat afschuwelijke monument van de verwoestende kracht van haatpropaganda er niet in slaagde het collectieve geweten op een constructieve manier bij te sturen, welk heil kunnen wij dan verwachten van een aanpak van love, peace en understanding an sich?
De kritiek op de dwingelandij van het correcte denken gaat voorbij aan de ravages die haat kan aanrichten. Het meest pertinente gevaar van ‘haatpropaganda’ is dat hij zijn directe doel voorbijschiet, dat hij een cultuur van haat creëert, een cultuur die aanvaardbaar maakt, respectabel zelfs om op grote schaal te haten. Een dergelijke cultuur van haat is niet zo gemakkelijk te definiëren en stroomt vaak in meerdere beddingen, maar in de recente geschiedenis zijn er voorbeelden te over van de omstandigheden waarin hij kan gedijen. Haatpropaganda kan doden net zo goed als censuur dat kan. Mensen zouden zich de vraag moeten stellen: is er een ogenblik waarop de kwantitatieve gevolgen van ‘hate speech’ op een kwalitatieve wijze de discussie over het recht op vrije meningsuiting moeten bijsturen
Genocide in Europa
De oorlogen met hun genociden in de voormalige Joegoslavische republieken aan de vooravond van het derde millennium veroorzaakten een schokgolf in Europa. De publieke opinie had zich genesteld in de idee dat, na de Tweede Wereldoorlog enkel Derde Wereld-landen barbaars genoeg waren om hun problemen op te lossen met excessief geweld. Toch was dit genocidaire geweld maar een herziene uitgave van het geweld dat het handelsmerk was van eerdere Balkan-oorlogen. Ook in het post-Ottomaanse tijdperk ging de strijd om nationale grenzen gepaard met massale wreedheden. Wreedheden op dergelijke schaal maken echter geen schijn van kans indien de bevolking niet voldoende is gemotiveerd. Kosovaarse Albanezen die hun Servische buren afslachtten, Serviërs die Kroaten de keel oversneden deden dit vanuit de overtuiging dat zij hun nationale plicht deden. Deze mensen werden geïndoctrineerd om haten normaal en liefhebben verkeerd te vinden. The International Helsinki Federation of Human Rights constateerde al in 1993 dat de media in de post-communistische Balkanlanden zoveel haatpropaganda spuiden dat het publiek wel geconditioneerd moest raken om elk aanstormend nieuw conflict in de regio te omhelzen. Studies toonden aan dat er in het hele gebied nauwelijks mensen te vinden waren die positieve gevoelens hadden voor andere etnische of religieuze minderheden in de buurt.
Maar de geest was al veel eerder uit de fles. In 1987 publiceerden de Servische kranten een foto van een journalist uit Belgrado die genomen werd in Prekale, Kosovo, een Servische provincie met een Albanese meerderheidsbevolking. Op de foto stond een Servische vrouw afgebeeld die samen met haar kinderen het veld bewerkte. Om haar schouder hing een geweer. Zij had dat wapen nodig, aldus de krant, om haar kinderen te beschermen tegen Albanese terroristen, die Serviërs martelden en vermoordden en hun vrouwen en dochters verkrachtten. De foto kreeg veel publiciteit, en veroorzaakte heel wat deining in Servië. Honderden gelijkaardige foto’s en krantenartikels, een vloedgolf van TV programma’s met nieuws over de vervolging van de Serviërs in Kosovo resulteerden in algemene terreur en algemene haat voor de Albanese Kosovaren. Een aantal jaren later kwam de waarheid aan het licht. De foto was een vervalsing, zorgvuldig in scène gezet door de journalist die zelf het geweer om de schouder van de vrouw had gehangen. Maar het kwaad was al geschied.
Deze vernietigende vorm van propaganda, die illustratief was voor alle protagonisten in de oorlog, hoewel Serven en Kroaten erin uitblonken, had zijn werk gedaan. ‘Als mijn vaderland op het spel staat’, ben ik bereid te liegen gaf een oudere journalist uit Kroatië ruiterlijk toe. ‘Ik voel geen schaamte als ik moet liegen in het belang van Servië en het Servische volk,’ stelde het hoofd van de uitzendingen van TV Belgrado. ‘Als het nodig is voor Kroatië, zal ik de waarheid geweld aan doen,’ beweerde een van de leidende commentatoren van Vecernji List, het Kroatische dagblad met de hoogste oplage. Vandaag de dag heeft niemand nog enige twijfel over het aandeel dat de media hadden in het aanstoken van de oorlog.
Een dergelijke met haat doordesemde cultuur is weliswaar niet mogelijk zonder de medeplichtigheid van het beleid. Toen Slobodan Milosevic, een Serviër, in 1986 in Joegoslavië de macht overnam van sterke man Tito, had hij dat vooral te danken aan de wijze waarop hij op gevoelens van nationalismeen religieuze haat had ingespeeld. Milosevic had zich tot doel gesteld Joegoslavië om te vormen tot een soort ‘Groot-Servië’ en stak zijn sympathie voor de Serviërs die een minderheid vormden niet onder stoelen of banken. Vanaf zijn aantreden zette hij en zijn entourage een nationalistische propagandamachine in gang die de superioriteit van de Serviërs en de noodzaak van onderdrukking, verjaging en uitroeiing van de andere volkeren benadrukte. De rest is geschiedenis.
De genocide van de Hutu op de Tutsi in Rwanda verliep volgens eenzelfde scenario. Op 6 april 1994 wordt, rond 20u30 het vliegtuig dat de Rwandese president Habyarimana en zijn Burundese collega Ntaryamira vervoert, neergeschoten. Dit is het begin van de genocide, die tot juli zal duren en ongeveer één miljoen slachtoffers zal maken. Deze slachtoffers zijn in de
eerste plaats leden van de Tutsi-bevolkingsgroep, maar ook gematigde Hutu die bereid waren om met Tutsi samen te werken. De genocide was het orgelpunt van een lang proces, waarin Hutu en Tutsi geleidelijk tegen elkaar opgezet werden.Dit proces werd geïnitieerd door de kolonisatoren, eerst de Duitsers, later de Belgen die de verschillen tussen de stammen die op Rwandese bodem leefden zouden radicaliseren en biologiseren op basis van de in die periode in zwang zijnde ideeën rond ras en raciale superioriteit. De Tutsi werden door de kolonisten als superieur gezien: men schreef hen een afkomst toe die dichter zou liggen bij die van de blanken, namelijk Nilotisch, Egyptisch of Ethiopisch, en die bijgevolg een verklaring zou vormen voor hun hogere beschaafdheid. Zij werden systematisch bevoordeeld: de Belgen regeerden Rwanda via de bestaande Tutsi monarchie. De Tutsi kregen systematisch een betere opleiding en meer verantwoordelijke posities in het koloniale apparaat. Daarmee werd de kiem gelegd voor de latere etnische geschillen. Toen later door toedoen van de Belgische regering de Hutu aan de macht kwamen kregen de Tutsi de volle rekening gepresenteerd. Ook de hele transitieperiode van onafhankelijkheid zal gekenmerkt worden door spanningen tussen de twee etnische groepen waarbij duizenden Tutsi worden vermoord en naar buurlanden worden verdreven.
Omdat hun systematisch wordt geweigerd naar hun land terug te keren, beginnen de zonen van de van 1959 tot 1973 verbannen Tutsi zich te bewapenen en te organiseren. Zo ontstaat het Front Patriotique Rwandais, eerst onder bevel van Fred Rwigema, daarna onder Paul Kagame..Op 1 oktober 1990 valt het FPR Rwanda binnen vanuit Oeganda. Als reactie vindt een massamoord op Tutsi plaats in Gisenyi, de geboortestad van de president. De regering begint de bevolking te bewapenen en richt de Interahamwe op, milities die voor het merendeel zijn samengesteld uit werkloze jongeren.
De rol van haatpropaganda in conflicten
Er zijn sterke aanwijzingen dat de genocide van 1994 al vanaf die inval van het FPR in 1991door de elite van Hutu rond president Habyarimana werd voorbereid: het verscherpen van de etnische tegenstellingen leidde de aandacht af van de socio-economische problemen waaronder het land gebukt ging en van de dictatoriale neigingen van het regime Habyarimana. Bovendien zou het de regering gelegenheid geven om voor eens en voor altijd af te rekenen met de politieke oppositie, zowel van het FPR en de Tutsi in het algemeen, als van de gematigde Hutuoppositie in het binnenland.
Net als in voormalig Joegoslavië werd de Rwandese genocide voorafgegaan door jaren van propaganda door de Hutu-elite. Deze propaganda maakte deel uit van de minutieuze planning en voorbereiding van de genocide en had de bedoeling om een klimaat te scheppen waarin Tutsi en gematigde Hutu werden voorgesteld als uiterst gevaarlijk en bedreigend, een sluipend gif dat vernietigd moest worden voor het zelf kon aanvallen. Deze propaganda werd verspreid via mediakanalen die door het regime Habyarimana aan het begin van de jaren ’90 opgericht werden en onder hun directe controle stonden. Eén ervan was de krant ‘Kangura’, die in artikels en cartoons de Tutsi voorstelde als ‘kakkerlakken’ en openlijk de raciale suprematie van de Hutu proclameerden. Het tweede en meest invloedrijke mediakanaal van de radicale Hutu werd de beruchte Radio Télévision Libre des Milles Collines (RTLM). RTLM begon haar radio-uitzendingen in 1993, en had als uitdrukkelijke bedoeling ‘to prepare the people of Rwanda for genocide’.
RTLM verkondigde dat Hutu en Tutsi twee verschillende volkeren waren, dat de Tutsi buitenlandse indringers waren die niet konden verkroppen dat ze in 1959 de macht hadden verloren, en riep op om die kakkerlakken allemaal te vermoorden. Zo werd er onder de bevolking een sfeer van angst en haat gecreëerd en gevoed, die zich voegde bij de spanningen die vanaf de kolonisatie door de blanken en later door het regime langzaam waren opgebouwd.
Deze agressieve vormen van nationalisme lijken passé en niet meer actueel. Inderdaad is het zo dat in het officiële discours van een moderne staat niet direct zal verwezen worden naar dergelijke ideologieën en concepten. Toch leven ze dikwijls sluimerend voort, en onder bepaalde culturele en historische omstandigheden kunnen ze terug opduiken, ook in officiële politieke ideologieën. Hier speelt de propaganda die dikwijls jaren voor het echte conflict uitbarst verspreid wordt via diverse mediakanalen, een cruciale etnische zuiveringen in zowel ex-Joegoslavië als Rwanda werden mogelijk gemaakt door de culturele legitimatie van een aantal definities en ideeën die geleidelijk aan gebanaliseerd en genormaliseerd werden en uiteindelijk aanvaard door een groot publiek. Als er dan daadwerkelijk een extreemnationalistische regime aan de macht komt, is het niet meer zo moeilijk om van woorden over te gaan naar daden, en daarbij gesteund te worden door de publieke opinie ook
Haatpropaganda culmineert uiteindelijk in de meest rabiate vorm van censuur: het ‘ausradieren’ van de herinnering aan een plaats waar ooit mensen en gemeenschappen hebben gewerkt, gewoond, geleefd. De zuivering van moslimgebieden door de Bosnische Serviërs in 1993 was daar een treffende illustratie van. Bij de massamoord in Srebenica werden 8000 mannen en jongens meegevoerd en op beestachtige wijze afgeslacht. Maar de fysieke uitschakeling van ‘de anderen’ volstond blijkbaar niet. Hun huizen werden bezet door Serviërs, archieven en bibliotheken werden verbrand, moskeeën en kerken werden met de grond gelijk gemaakt. Het was een wrange metafoor voor de uitroeiing van de moslimbevolking in het heden, het verleden en de toekomst, de totale vernietiging van een identiteit
Gelijke rechten, gelijke kansen
De Amerikaanse filosoof en politiek wetenschapper Sidney Hook gelooft dat haatpropaganda zowat overal een katalysator voor extreem geweld kan zijn. ‘Ik geloof dat eender welk volk, indien opgejut tot een cluster van nationaal ressentiment, en in de overtuiging dat een individu of groep verantwoordelijk is voor aanhoudende en extreme tegenspoed, in staat is de misdaden van de Duitsers te herhalen. Ik geloof dat als de omstandigheden in de Verenigde Staten psychologisch en economisch zo erg worden als die in Duitsland in de eerste helft van vorige eeuw, systematische rassenvervolging kan uitbreken. Zowel kleurlingen als joden, of andere groepen zouden het doelwit kunnen zijn.’
De vraag die zich derhalve stelt is of men de kat niet bij de melk zet door racistische organisaties een grondwettelijk recht te geven om hun meningen van de daken te schreeuwen en de weg te plaveien voor een cultuur van haat. Hoeveel maatschappelijk gewicht kunnen vreemde etnieën tenslotte in de schaal leggen om deze haatcultuur van zijn gifangel te ontdoen
Voorstanders van de vrije meningsuiting van haatgroepen zijn ogenschijnlijk blind voor het maatschappelijke kostenplaatje van haatpropaganda. Statistisch onderzoek toonde aan dat het systematisch schofferen van vreemde etnieën leidt tot een verhoogd risico op psychische ziektes, zelfmoord en deviant gedrag. Kleurlingen in westerse landen kunnen er nu eenmaal niet omheen dat zij op een eilandje leven omgeven door een oceaan van blank privilege. De rassenneutrale maatschappij bestaat wellicht niet. De macht van het getal en van overgeleverde tradities is sterk. De meerderheid die vaak met de moedermelk een aantal stereotype beelden over vreemde etnieën meekreeg heeft vaak maar een streepje haatpropaganda nodig om in het onverdraagzame kamp te belanden. De absolute hegemonie van de vrije meningsuiting voorkomt in die zin een ernstig debat over raciale eerlijkheid en rechtvaardigheid
Natuurlijk hebben minderheden ook recht op vrije meningsuiting, en kunnen zij dit recht inroepen om zichzelf te verdedigen. Maar in een samenleving zoals de onze waar sociale, economische, politieke ongelijkheid aan de orde is, waar vrijheid van meningsuiting de rol aanneemt van een consumptieartikel dat mensen kopen en verkopen, waar sommigen betaald worden om te spreken en te schrijven, terwijl anderen gewoon luisteren en lezen is het een utopie dat iedere stem die zich verheft op dezelfde toonhoogte spreekt. Orwell parafraserend: iedereen heeft recht op vrije meningsuiting maar sommigen hebben een megafoon; anderen zien zich beperkt tot de rol van souffleur. Het spreekrecht is onlosmakelijk verbonden met historisch gegroeide machtsverhoudingen die maken dat er een rangorde is van discours. De wetenschappelijke kennis van de kinderarts overschreeuwt op het maatschappelijke forum de ervaringsdeskundigheid van de gewone moeder. Aangezien minderheden zich vaak onderaan de maatschappelijke ladder bevinden klinken hun eisen en verzuchtingen vaak niet luider dan kreten in de woestijn.
Haatmisdrijven in het land van vrije meningsuiting
In het voorbije decennium hebben 46 staten in Amerika wetten gestemd om haatmisdrijven te straffen en uit de constitutionele bescherming te lichten. Ook gemeentewetten werden gestemd. De maatregelen kwamen geen dag te vroeg. Een epidemie van haatmisdrijven geïnitieerd door haatpropaganda overspoelde het land. Het debat over haatgroepactiviteiten en geweld kwam eindelijk terecht in de publieke politieke arena, omdat het juridische systeem tegen wil en dank het verband tussen haatpropaganda en haatmisdrijven nu wel moest onderzoeken.
Het Supreme Court hield echter het been stijf en verbrak omwille van het sacrale First Amendment vele arresten alsnog in beroep. Het Amerikaanse verleden van lynchpartijen is nochtans duidelijk niet voorbij. Hedendaags racistisch geweld tegen Afro-Amerikanen is een replica van de wrede brutaliteit van de koloniale tijd, en Afro-Amerikanen betalen het gelag van de onaantastbaarheid van het First Amendment. In 1992 werd Timothy Moss in California gelyncht door leden van een blanke bende. William Brooks en Carlos Stoner ondergingen hetzelfde lot in North Carolina in datzelfde jaar. Op Oudejaarsavond van 1993 kidnapten racisten in Florida Christopher Wilson, een zwarte toerist, en staken hem in brand. Dit is maar een greep uit de grote grabbelton van haatmisdrijven waarvan Afro-Amerikanen de jongste tijd het slachtoffer werden.
In Amerika en elders zijn haatcampagnes een integraal onderdeel van groeperingen van supremacisten en neo-nazi’s. Zij gebruiken ze om de eigen superioriteit te beklemtonen, om het cement van de solidariteit te verstevigen, om hun slachtoffers duidelijk te maken dat zij geen rechten kunnen doen gelden. Het doel ervan is te intimideren, te vernederen, aan te vallen, en niet in het minst om het zwijgen op te leggen. Haatpropaganda die gespuid wordt tegen één zwarte persoon is bovendien een aanslag op alle Afro-Amerikanen. Als progressieve liberalen bij hoog en bij laag beweren dat zij racistische opmerkingen verafschuwen, maar dat het een privérecht is en beschermd door de wet op de vrije meningsuiting, ontkennen zij de publieke draagwijdte ervan, namelijk het vermogen om burger- en mensenrechten van een hele geviseerde groep te beperken
Anti-racisten zijn dan weer wat naïef als ze verwachten dat wetgevingen m.b.t. haatpropaganda en haatmisdrijven racisme van de weeromstuit zal uitbannen. Het is zelfs geen haalbare kaart om iedere vorm van racisme uit het taalgebruik te weren omdat taal zo vaak ambigu is. De TV spots met een breedlachende Afrikaan die bedoeld waren om Californische rozijnen op het westerse boodschappenlijstje te krijgen werden door sommige Afro-Amerikanen als beledigend ervaren, anderen vonden ze dan weer grappig. Voorts mag men en moet men discussies over raciale verschillen en karakteristieken niet onder de mat vegen. Het is maar als taal gebruikt wordt om discriminatie en vooroordelen te rationaliseren dat de klemtoon verschuift van simpele belediging naar een onmiskenbare aantasting van de persoonlijke integriteit
Dit is een essentieel onderscheid. Men kan beledigd zijn door scholieren die proberen raciale superioriteit of inferioriteit te bewijzen. Als pseudowetenschap zouden deze theorieën dezelfde waardebeoordeling moeten krijgen als de stelling: 2 + 2 = 5. Maar Afro-Amerikanen zijn diep gekwetst en voelen zich bedreigd als een Klan-lid dat naast een zwarte familie woont een plakkaat in zijn tuin zet met daarop het portret van een zwarte man die een geweer tegen zijn hoofd aandrukt. De bijbehorende tekst op dit plakkaat in Gainesville, Georgia, luidde als volgt: Het is zonde om een geest te verspillen, daarom hebben negers er geen. Het was een verwijzing naar het oud-christelijke geloof dat zwarten geen mensen zijn maar dieren, door God gecreëerd tot vermaak van Adam, de eerste mens. De verborgen boodschap van het plakkaat was dat alleen blanken echte christenen kunnen zijn en dat zij bovendien zwarten kunnen vermoorden zonder enig gevolg voor hun eigen blanke zieltjes, ze steken immers alleen maar de natuurlijke selectie een handje toe. Het propageren van deze gedachte heeft dodelijke gevolgen gehad.
Het arrest van het Vlaams Blok</strongHaatpropaganda en censuur, het zijn niet meteen de thema s die de doorsnee Belg uit zijn slaap houden. zich druk te maken over rampenscenario’s die elders ter wereld de krantenkoppen haalden. De zaak Dutroux, de Bende van Nijvel, de moord op Cools gaven hem het gevoel dat het dak van de wereld was neergekomen op het land waar de kerk doorgaans in het midden staat. In deze opgeklopte sfeer van scandalitis vielen racistische aanslagen tussen de plooien van het nieuws. Oprispingen van antisemitisme, xenofobie en racisme wàren in ons land ook minder spectaculair dan in de buurlanden. Toch laat de Eurobarometer van het Europees Waarnemingscentrum voor Racisme en Vreemdelingenhaat er geen twijfel over bestaan. Belgen staan veel minder positief tegenover minderheidsgroepen en vreemdelingen dan het Europees gemiddelde. Een kwart van de Belgen is zelfs uitgesproken intolerant. Uit hetzelfde onderzoek bleek bovendien dat we op de tweede plaats staan als het erom gaat migranten de schuld te geven voor kwesties als werkloosheid, criminaliteit of misbruik van de sociale zekerheid. En dan nog dit… In 1987 werd in Leuven de Rwandese student Audace Rucumuhimba op brutale wijze vermoord door racisten. In 2002 onderging het Marokkaanse echtpaar Isnani in Schaarbeek hetzelfde lot en in datzelfde jaar werd in Borgerhout de Marokkaan Mohammed Achrak doodgeschoten. Deze moorden bewijzen alvast dat racisme ook in België dodelijk kan zijn.
In de meeste grote agglomeraties van het land nam de verspreiding van racistische pamfletten en publicaties de afgelopen jaren onafgebroken toe. Het Vlaams Blok had daar sterk de hand in. Deze desinformatie – gebaseerd op kwalijke veralgemeningen en begripsvermengingen – voedt ongetwijfeld de xenofobe gevoelens van een aantal mensen. Sommigen gaan over tot de daad, door aanhanger te worden van een ondemocratische partij of door ervoor te stemmen. De moordenaar van de familie Isnani was militant lid van de Franstalige afdeling van het Vlaams Blok te Brussel
De veroordeling van het Vlaams Blok was daarom een belangrijk maatschappelijk signaal. De grenzen van het toelaatbare werden aangegeven en de puntjes werden op de i gezet: ‘het systematisch verkondigen van racisme is een misdrijf dat gerechtelijk kan worden vervolgd’, oordeelde de rechter. De wijdere implicaties van dit arrest vallen nog af te wachten
De geschiedenis leert hoe dan ook dat elke regelgeving m.b.t. haatpropaganda een lege doos blijft indien ze niet geschraagd wordt door een sterke sociale beweging die alert op racistische tendensen reageert. Die beweging zal bepalen hoe de wetten worden gebruikt, nu en in de toekomst. Wetten op de burgerrechten waren historisch zo effectief als de politieke bewegingen die ze tot stand brachten. Hoewel de Afrikaanse slaven in Amerika in 1863 hun vrijheid kregen door president Lincolns’ Emancipation Proclamation, en er even later een wet werd gestemd die hen dezelfde grondwettelijke rechten toekende als de blanke Amerikanen bleef de segregatie en de blanke dominantie op ieder sociaal, economisch en wettelijk echelon bestaan. ‘Wettelijke gelijkheid is niet hetzelfde als sociale gelijkheid,’ luidde het excuus. Pas na 1945 ontstonden onder impuls van de beweging van burgerlijke ongehoorzaamheid van Martin Luther King en dankzij de media die ook bij de blanken een golf van sympathie wisten los te weken, sterke anti-racistische tendensen, die o.m. leidden tot het VN Verdrag tegen rassendiscriminatie. Het gebrek aan versterking van die beweging vanaf 1980 toonde onomstotelijk aan dat burgerrechten een wassen neus werden als een sociaal cordon ontbrak om te verhinderen dat racisme de kop weer opstak. De droom van Martin Luther King is verre van voltooid
Tot slot nog een kleine anekdote. Wat onze post-moderne samenleving zo typeert, is dat haatpropaganda niet alleen doodt, maar ook een handelswaar is die als warme broodjes over de toonbank gaat. In 1996 ontsloeg het New Yorkse radiostation WABC zijn meest populaire talk show presentator Bob Grant die het medium 25 jaar lang gebruikte om gekleurde minderheden te schofferen. Tot hij een brug te ver ging. Toen hij daags nadat het vliegtuig van Clintons’ commercieel secretaris, Ron Brown, was gecrasht het vermoeden uitsprak dat Brown (die zwart was) wel eens de enige overlevende zou kunnen zijn, omdat hij (Grant) een pessimist was, kreeg hij de bons. Bob Grant’s programma was nochtans ontzettend populair. Adverteerders waren er dol op omwille van de hoge luistercijfers. Toen aan een ABC producer gevraagd werd of Bob Grant’s racistische opmerkingen een mooi staaltje waren van vrije meningsuiting dat door het First Amendment moest worden beschermd of van verbale pollutie, zei hij: Als de persoon in kwestie hoge luistercijfers haalt, moet een radiozender de vuilspuiterij die zijn handelsmerk is voor lief nemen. Een radiozender zal alles in de strijd gooien voor de grondwettelijke rechten van een presentator als de show genoeg rendeert. Grant had nu net hoge luistercijfers omdat hij bleef inhakken op minderheden.Als zijn cijfers eerder aan de lage kant hadden gelegen, zouden de managers gezegd hebben: ‘to hell with constitution’ en was hij allang de laan uitgestuurd. De Radio is de enige spreekbuis die racisten hebben, voegde hij daar nog aan toe. Onze adverteerders zijn er zich maar al te goed van bewust dat haat hun producten verkoopt.
Anekdote: Arnold, de stiefvader van Raymond Van Het Groenewoud kwam bij ons dagelijks over de vloer om krantenknipsels te brengen. Arnold is van Joodse afkomst, zijn hele familie is vergast in Treblinka. Vroeger was hij hoofredacteur van ‘De Rode Vaan. Toen dit artikel verscheen, is Arnold me met tranen in de ogen komen bedanken, met de mededeling dat dit het mooiste was dat hij ooit gelezen had. Voor mij was dat het mooiste compliment dat ik ooit heb gekregen. Ik heb me een half jaar in zelfgenoegzaamheid gewenteld.


![UT 3, 4 & The Milky Way [video] UT 3, 4 & The Milky Way [video]](http://static.flickr.com/2633/4135738280_d16c9dd389_t.jpg)